Joost van den Vondel (1587-1679)

Z U N G C H I N

OF

Ondergang der Sineesche Heerschappye.

A. 1666

D E R D E   B E D R I J F.

JASMIJN, PAO, ADAM SCHAL.

JASMIJN.

Vorstin Xaianga, waar mag Adam nu vertoeven?
Wij toetsten s vaders trouw, die blonk op alle proeven,
Als goud van Ganges op den toesteen blijkt ten toon.
Zij blonk gelijk een perle aan onze wereldkroon.
Indien
we recht zien, zijn genooten afgescheiden
Staan ginder. Zeg hun, dat wij s vaders komst verbeiden.

PAO.
Zij halen hem.
JASMIJN.

                          Mij lust te hooren uit zijn mond,
Of mijn bekommering op reden is gegrond.

ADAM SCHAL.
Gezalfde dochter van den Hemel!
JASMIJN.
                                                              Wijze vader!
ADAM SCHAL.

Wat eischt de Majesteit?

JASMIJN.

                                             Nu, schroom niet; tree vrij nader.

ADAM SCHAL.

Op t hoog behagen van de grootste keizerin,
Verknocht aan s Hemels zoon door goddelijke min.
Ontschuldig uit genade, indien we een luttel draalden!
Toen de uren van den nacht in top het hoofdpunt haalden,
Begon ik fluks den dienst, naar d ingestelde wijs,
En offerde op t altaar, den waren God ten prijs,
Ten zoen der misdan, en gedacht in mijn gebeden,
Dat God Taimingas telg, van s roovers heer bestreden,
Behoedende, alle ramp van uwen rijksstoel keer!
Gebruik me, ben ik t waard, ten wasdom van uwe eer.

JASMIJN.
De geest, met eene wolk van staatbekommeringen
Betrokkten, zweeft te laag, en kan niet hooger dringen.
Gedachten pijnigen de zinnen, om al t geen
Ons sedert eene wijl een droevig voorspook scheen;
Uit vele teekenen, dk wij te zamen stellen
Als letters, kan men niet dan ongevallen spellen:
Voorleden zomer kweekte een ooyevaar op t nest
Van t gulden hofdak zijn gebroedsel. Uit het West
Verscheen een ros gedroeht, gevoerd op vleermuispennen;
Het braakte vier en vlam, viel gruwzaam aan het schennen,
En rukte d ouden fel de taaye slagpen uit.
Zij stortten van het nest ter aarde, dat het stuit.
De jongen woden vlin, maar werden fluks verbeten.
De roover hield het nest, hoovaardig en vermeten.
ADAM SCHAL.
Hoe lang?
JASMIJN.

                  Tot dat een draak van t Noorden streven kwam,
Het ros gedrocht verbaasd de vlutcht ten Zuiden nam,
En, vliegende afgemat, in eenen poel verstikte.
Een dreigend voorspel, dat ons menigmaal verschrikte.

ADAM SCHAL.
En wat bezwaart u meer?
JASMIJN.

                                              De schranderste in het land,
Om uit da linin der palme van de hand
Geluk of ongeluk met kennis t overleggen,
Ontziet uit vrees voor straf, al wat ze ziet te zeggen,
Dewijl de dwarsche lijn de langste knipt en snijdt.
Bediedt de lange lijn den draad van s levens tijd,
Zoo wil ons leven kort en snel ten einde loopen.
Wat lust of weelde staat Jasmijne dan te hopen?

ADAM SCHAL.

Ik hoore al wat u schijnt een post van ongeval,
Naar uw verbeelding.

JASMIJN.

                                        Neen, gij hoorde het niet al:
Een wijs Araber zag, hoe ons geboortesterre
Geraadzaam vond den pijl t ontwijken, die, van verre
Afsnorrende uit de lucht, gelijk een standaard blonk,
En hoofdeieraad en kroon van t hoofd ter aarde klonk.
Indien Toangus leefde, in starrekunde ervaren
En starrewichlerij, hij zou het openbaren,
Door welk een middel men dien pijl ontwijken kon,
Eer de onverwachte slag het heilig kroonrecht schon.

ADAM SCHAL.
Zoo wordt uw Majesteit bestren van hier en ginder.
JASMIJN.

Wij zagen menigmaal den grijzen offervinder
Verschrikken voor t altaar, wanneer bij met verstand
Doorsnuffelde en bezag het offeringewand
Van zwijn en bok en haan, bekommerd en verslegen.
De honden huilen s nachts. het spookt langs acbterwegen.
De raven krassen naar. De grond der aarde beeft.
Een damp bezwalkt de zon. Wat adem schept en leeft,
Gezield en ongezield, gedrochten aan de stranden
Bestemmen, dat er staatverandring is voorhanden.
Hungus doodsche geest verscheen ons s nachts, zoo t scheen
Wij grepen naar de schim, die droop door d armen heen,
In t midden van den droom. Laat hooren, hoe gijlieden
Die teekens opneemt, wat ze u melden en bedieden.

ADAM SCHAL.
Doorluchtste keizerin! Europe, klaar verlicht
Van boven, bouwt geen hoop van voorspoed op gezicht
Van geesten, wichlerij uit vogelvluchten, droomen,
En handbekijken, naar gedruisch van bosch en stroomen,
Gehuil en hondsgebas en starrewichlerij,
Nocb acht geen nachtgespook, ook geene razernij
Van offervinder, noch gezwets van guichelaren.
Zoo schromen ze ook geen ramp, noch laten zich vervaren
Om beuzelmerken, daar bedrog zijn logens vent;
En uw Confucius, gansch Sina door bekend,
Beloech deze ijdelhen. Hij plantte goude zeden,
Vr twintig eeuwen, op het land en in de steden.
D onfaalbre waarheid van ons heilig wetboek vloekt
De ziel, die troost en raad bij vogelwichlaars zoekt,
Waarzeggers en gespook van geesten, streng veroordeeld.
JASMIJN.
Kunt gij dit sterken met een klaar bewijs en voorbeeld?
ADAM SCHAL.
Een koning Saul, van doodvijanden bestren,
Toog buiten t leger s nachts naar s lands waarzegster heen,
Opdat ze een geest verwekte, om uit zijn mond te hooren,
Wat lot hem s andren daags van boven was beschoren.
Zij wekte Samuel, een ouden Godsprofeet,
Die uit der aarde rees, en in het lange kleed
Hem spelde, hoe hij op de lijken van drie zonen
Zou storten in het zwaard, versteken van zijn kronen.
Toen wanhoop veld won, kwam het naberouw te sp.
Die raad zocht buiten God, verviel uit Gods gen;
Dees misdaad werd hem voor een doodschuld aangerekend.
Vrees God alleen, die weet, wat spoed of ramp beteekent.
JASMIJN.
Daar komt de keizer, met den erfvorst Fungiang,
Verbaasd en schichtig aan. Wij mogen onzen gang
Ter zijde nemen, om geen overleg te storen.
Wij kunnen hun gesprek aan dezen pijler hooren.

ZUNGCHIN, FUNGIANG.

ZUNGCHIN.

Hier broeit een nachtverraad.

FUNGIANG

                                                    De Hemel breng t in t licht!

ZUNGCHIN.

Het lijdt geen uitstel, neen.

FUNGIANG

                                                Heer vader! lees het dicht.

ZUNGCHIN.

Zie toe, het rijkshof staat op wankelbare beenen.
Zie toe, en wacht u voor vermomde hof besnenen.

FUNGIANG

Waar vond Heer vader dit?

ZUNGCHIN.
                                                Geslingerd in t poortaal;
De hand is onbekend.
FUNGIANG

                                        Verdaag hen altemaal,
En monster ze op een rij, zoo kan zich geen beklagen,
Dat bij uit achterdocht vervalt in t hoog mishagen
Onnoozel, zonder schuld. Een vrome biijft wel vroom.
De schrik bhudt weifelaars door onderzoek in toom.
De proef beschaamt geen trouw, maar geeft ze een klaarder luister.

ZUNGCHIN.
Wie slimme gangen gaat, blijft schuilen in het duister.
FUNGIANG

Men merkt in t monstren, wie beteuterd staat of niet,
Wie stamelt in de spraak, wie zijne verf verschiet.
Men zie ze hoofd voor hoofd vrijpostig onder oogen.

ZUNGCHIN.

Het hol van s menschen hart is t broeinest van de logen.

FUNGIANG

Het aangezicbt, gelijk een spiegel van t gemoed,
Ontdekt door teekens, wat in t harte wordt gebroed.
Uit velen kan zich pas een eenig schalk verbergen~

ZUNGCHIN.

De kanker in den staat ten Hove lijdt geen tergen.

FUNGIANG

Een kanker in den staat dient tijdig uitgesnen.

ZUNGCHIN.

Men snijde t kwaad uit, maar ontzie gezonde len
Aan t lijf te knotten, en neme eerst volkome kennis.

FUNGIANG

Men sammelt veel te lang, wanneer de bitse schennis,
Die worm, het hart bekruipt in t lichaam van den staat.

ZUNGCHIN.

Dat wordt u toegestaan, maar eischt een rijp beraad.

FUNGIANG

 Valt op Kolas, uw stadhouder, geen bedenken?

ZUNGCHIN.

Wij schromen zijne trouw door achterdocht te krenken;
Hij is de slagpen, daar het gansche hof op drijft.

FUNGIANG

Men acht getrouw die tot het eind standvastig blijft.

ZUNGCHIN.

Wat geeft u reden van bedenken of mistrouwen?

FUNGIANG

Men bezigt amptenaars, doch mag er niet op bouwen.

ZUNGCHIN.

Wat twijfel valt hier? Hij bezweek in geenen nood.

FUNGIANG

Voorhene, maar nu staat gij voor den vijand bloot.

ZUNGCHIN.
Zoo bloot niet, of men kan een harden storm verduren,
Indien de krijgslin niet bezwijken op de muren.
FUNGIANG

Een muur, tien schreden dik, die tusschen beide let,
Valt licht te sloopen. Zulk een kleene ruimte scheidt
De vijanden en u. Wij kome u troon niet nader:
De pijlers wankelen. Een eenig hofverrader,
Van u gemachtigd om te heerschen en gebin,
En wien ze, als eenen God, naar mond en oogen zien,
Behoeft ze van ter zijde alleen een wenk te geven;
De vijand zal terstond, daar t hapert, innestreven
En overloopen ze al, gelijk een hooge vloed.

ZUNGCHIN.

Eer die standvastige Kolas ons den voet
Zou lichten, zal de dag in duistren nacht verkeeren,
De zon in duisternis, de draak venijn ontberen,
Kiang, de zoon der zee, opstreven tegens stroom.
Wie los uit achterdocht met eenen lossen toom
Durf hollen over hooge en lagere amptenaren,
Beschaft ze wettig stof uit hunnen plicht te varen,
En heul te zoeken aan een opgeworpen heer.
Wat onbescheid is dit? Zwijg stil: geen woorden meer!

FUNGIANG

Heer vader! belg u niet; ei, luister! Uit wieus koker
Kwam zulk een lasterpijl, dan uit dien oproerstoker?
Hier mompelde een gerucht door t hof, vol onbescheid,
Hoe onder t hofgesprek alleen de gierigheid,
De goud- en geldzucht van den keizer, onberaden
En met geen schattingen te stoppen noch verzaden,
Een eenige oorzaak was, al klonk dees naklank valsch,
Dat Sina zulk een storm van jammren op den hals
Kwam storten, duizenden van d oude trouw veraarden,
En overliepen bij geheele veldstandaarden,
Behalve weinigen, besnen en Mandarijn,
Die nog volharden naar den uiterlijken schijn.
En heimlijk letten of t verraad begint te rijpen;
De hulk van t Hof geraakt aan t overslaan en gijpen,
Om dan den oversprong te wagen buiten last.
Begon Heer vader nu t momaanzicht van dien gast
Te lichten, staks zoude u de tronie openbaren,
Wie t opperhoofd is der vermomde weifelaren.

ZUNGCHIN.

Geen reden houdt de tong der reukelooze jeugd
In toom. Het lasteren van ongekrenkte deugd
Beueemt de deugd den moed, een rijksstorm uit te harden,
Die al wat tegenstaat aan flenters scheurt en flarden.
Waar loon ontbreekt, daar wordt het weifelen verschoond.
Kolas is te rijk voor zijnen dienst beloond,
En durf zich zelven, bij verandering van Heeren,
Al kwamen ze over ons door hem te triomfeeren,
Geen zegenrijker loon beloven. Laat dan af
Te schenden zulk een held, die nooit ons reden gaf
Te twijflen aan zijn trouw; of smolten alle vromen,
Zoo staan we op lossen grond, en t id hier omgekomen.

FUNGIANG

Heer vader! spreek met Us, den grooten kanselier;
Ik baal dien ouden, en vertrek terwijl van hier.
Daar nadert hij van pas. De vader kan hem hooren.
Ik ga eens luisteren ten transe uit van den toren.
De cedel waarschuwt u voor aanstaande ongemak;
De weiflaars schuilen in de schaduw van dit dak.

ZUNGCHIN, US.

ZUNGCHIN.
Aartakanselier, ns lees dees cedel, straks gesmeten
In t hofpoortaal.
US.

                                Wat s dit? De schrijver heeft vergeten
Zijn naam te teekenen.

ZUNGCHIN.

                                          Dat was hem ook geran.

US.

De dichter waarschuwt u.

ZUNGCHIN.

                                                Hij tast de grooten aen.
Wat middel vindt men best om deze band te kennen?

US.

De schrijfkunst zweeft te wuft op allerhande pennen.
De hand valt somwijl in het schrijven ongelijk.

ZUNGCHIN.

Elk kent zijn eige band.

US.

                                          Een al te donkre blijk,
Om uit de letteren des schrijvers naam te spellen.
Men kan een anders band naarbootsen of misstellen,
Met eene kwade pen zoo slaan de raders mis.
In zulk een halszaak durf geen rechter bij de gis
Een man betichten, door een reukloos onderwinden.
Wij staan voor dit geschrift verstomd, als ziende blinden.
Wat oordeel gaf de prins van dit gestrooide vaars?

ZUNGCHIN.

Hij staroogde eerst een poos, en stampte met de laars
Wel driewerf op den vloer, en schudde hoofd en lokken;
Gelijk een jonge leeuw allengs begint te wrokken,
Van spijt getergd. Hij sloeg zijn blikken hene en wer,
En stapte, ontsteken van een gloed, vast op en ner.

US.

Dat s edelmoedigheid, een aard van zijn Heer vader;
De zoon is hem geheel gelijk en niemand nader.
Wat sloot d elmoedige te werken op dees stof ?

ZUNGCHIN.
Te monstren, hoofd voor hoofd, de grooten van het hof,
En met een snedig oog te zoeken eenig teeken,
Een blijk, ontdekkende dit nest der hofgebreken.
US.

Dat inzicht was niet vreemd, noch ongeran voor t rijk.

ZUNGCHIN.

En schoon t geraden waar, het is te zorgelijk.

US.

Wat docht hem, eindelijk, in t scheiden, best geraden?

ZUNGCHIN.
Hij hadde het op den stadhouder fel geladen.
US.

Kolas? Neen, hij is des Keizers trouwste vriend,
En heeft nooit achterdocht gegeven noch verdiend.
Het mocht hem falen in zijn oordeel, in t bestieren,
Den oorlogstoom te kort aanhalen ofte vieren
Te lang en al te ruim: maar willens wetens zou
Het nimmer haperen aan s mans beproefde trouw.
Hier eens aan twijfelen, dat waar den doodsteek geven
Dien dapperen, getroost al stervende te streven
Ter eere van uw staat en keizerlijke kroon.
De vader overzie dien misslag in den zoon!

ZUNGCHIN.

Wij mogen door dit vers ons dan gewaarschuwd achten;

US.

En scherper passen op t veranderen der wachten,
Alle uren langer niet, verandren van het woord,
De ronde gaslaan, langs den muur en aan de poort.

ZUNGCHIN.

Het is de vierde nacht, dat wij met raad en orden,
Om van krijgsoversten niet loos misleid te worden,
Voorzichtig zelfs den muur bezichtigden in t rond,
Hoe t met kortouwen en de wacht geschapen stond;
Hoe elk zijn boefslag, hem gezet, alom bewaarde.
Wij telden hoofd voor hoofd te voet en ook te paarde,
Belasten d ampten zich te kwijten, vroeg en sp,
Om niet te vallen in des Keizers ongen;
Doch nergens vond men, daar het minste op viel te spreken.

US.

Waar t oog des Keizers waakt wordt geene kans verkeken.
Zelf voortren, leert den knaap navolgen s meesters spoor.
Ik viel nog dadelijk op d aarde met mijn oor,
En luisterde heel scberp, om eene lucht te scheppen,
Aan vier gewesten, wat zich roeren mocht of reppen,
Maar hoorde geen gewag. De wagen van den nacht
Rolt steiler ner, voorbij de derde sterrewacht.
Uw Majesteit mag vrij op mijne toezicht rusten.

ZUNGCHIN.

Hoe past het slapen, en wat alapen zou hem lusten,
Die zulk een vijand voor de poorten ziet in t veld?
Een openbare zee van roofzucht en geweld
Komt bruisen naar Peking, om vratig in te slikken
Een schatkist, daar de balg des Afgronds aan zou stikken,
Een schatkist, jaren lang inzwelgende onverzaad,
Wat zulk een hofpraal eischt, ten steun van onzen staat,
Geheele stroomen gouds en onwaardeerbre tollen.
De roover, om het heer, dus vreeselijk aan t hollen,
Nog aan te prikkelen, zwoer, bij zijn tullebant
En heerbijl, hun Peking en dit wijdstrekkend land
Ten roof te schenken, zoo zij s Keizers poort oprammen.
Gedenk, gedenk eens, hoe ze op zulk een vrijbuit vlammen.
Peking, met zonnegoud en diamant gekranst,
Is deze schoone bruid, daar t al om juicht en danst.

US.
Z is voor dien schender en schoffeerder niet geschapen;
Hij zal ze dezen nacht niet reppen noch beslapen.
En of men tijdig hem misleidde door verdrag,
Behoudens d eer van uw grootmachtigste gezag?
ZUNGCHIN.

Wat middel, dunkt u, waar de raadzaamste ende beste?

US.
Lykungzus voere t heer een dagreis van dees veste,
Om tusschenbeide op t veld de tenten op te slaan,
En blank in t harrenas, van werzijde af en aan,
Voorwaarden van verdrag eendrachtig in te stlelen.
Gij most den bollen buik der hoofden en kornellen
Uit uwe scbatkist mild opvullen tot de keel.
ZUNGCHIN.

Zij slikten heel Peking, tot slissing van t krakeel,
Al wat men schrapen kon, met graven en met delven,
Uit dertig rijken, zoo veel kelders en gewelven,
Van zilver, goud, en zijde, en diamant verkropt;
De balg des gierigaards wordt met geen goud gestopt.
Veel jaren schattingen, met rijk gelade jonken
Door Yo Laar dit hof gevoerd, of ons geschonken
Van onderkoningen, vrijwillig af te staan,
Dat koelt geen roofkoorts, loon, maar steekt de roofkoorts aan.
Den gouden sleutel van ons schatkist hem te geven!
Wij scheiden liever, blank in t harnas, van ons leven.
Het hart des Keizers legt begraven in het goud.

US.

Gij kunt het derven.

ZUNGCHIN.

                                    Neen, zoo weinig als het zout;
De schatkist moet den krijg, gelijk een zenuw, stijven.
En stond men ze af, wie zou een roover waarborg blijven,
Dat hij, na d overgift, het heer afdanken zou?

US.

Eischt duizend gijzelaars, ten onderpand van trouw.

ZUNGCHIN.

Geen vaster gijzelaars dan klinkende metalen.

US.

Wie komt hier schichtig van den hoftrans nederdalen?
Wat mare of Fungiang den vader brengen wil?

FUNGIANG, ZUNGCHIN, US.

FUNGIANG.

Wij hooren geen gewag. De nanacht zwijgt zoo stil,
Dat al de wachters op den porceleinen toren
Geen momplen in de stad, geen bladers ruischen hooren
Rondom den boomgaard. Is t geen teeken, dat de haat
Behendig toelegt op een gruwelijk verraad?
Men zoude uit deze kalmte een rijksorkaan vermoeden;
Het geeft bedenken, dat ze een onwer uit wil broeden.
Heer vader! laat me toe, aan dien of dezen oord
Te gaan naarsporen, op de merkt of aan de poort,
Hoe t sta geschepen, eer het onwer op mag komen.

ZUNGCHIN.

Wij hebben kennis van geschut en volk genomen,
En stadsgelegenheid, een dag of drie gelen.

FUNGIANG.

Wat kunnen schelmen in drie dagen tijds niet smen?
De vijand staat niet stil. Een oorlogskans verandert,
In eenen oogenblik, van aangezicht en standert.

ZUNGCHIN.
Wanneer twee heeren, schrap en tegens een gekant,
Zich mengen onderling en kampen hand aan baud,
Dan moet de zwakste in t veld den allersterksten wijken,
Dan gaat de sterkste met dien roof en zege strijken:
Nu duiken we gerust en schootvrij zonder nood,
In een bemuurde stad, dat onderscheid is groot.
FUNGIANG.

Heer vader! ik geloof, zij leggen toe uit lagen
U op te komen, eer het licht begint te dagen;
Vergun me, buiten t hof eens kennis van den staat
Te nemen.

US.

                    Zou de prins rinkinken bij de straat?
Een oir en erfgenaam van duizend vorstendommen
Zich wagen bij de maan en maneschijn te mommen,
Daar hem een onverlaat bejegent in der ijl,
Of ergens bij geval een keisteen of een pijl,
In t wild gevlogen, t is gebeurzaam, kwam te grieven?
De vader volge vrij zijn inzicht en believen;
Wat mij belangt, mij gruwt. Ik sta het geensins toe.

FUNGIANG.

Men houdt uwe ijdle vrees den ouderdom te go.

ZUNGCHIN.
Dat is geen suffers raad. Veel nutter hier gebleven,
FUNGIANG.

Heer vader! gun me toch ter hofpoorte uit te streven;
Mijn geest getuigt niet goeds van deze stille vlaag.

ZUNGCHIN.
Vertoef, mijn zoon! geduld, tot dat de morgen daag!
FUNGIANG.

Mijn onrust lijdt niet hier een oogenblik te toeven.

ZUNGCHIN.

Gij wilt uw vaders hart ontstellen en bedroeven.

FUNGIANG.

Ik wil het veiligen voor onraad en gevaar.

US.

Men sture een andren heen. Doorluchtste prins! bedaar;
De hofpost zal terstond gewisse tijding brengen.

ZUNGCHIN.

Indien zich weifelaars in dezen handel mengen,
Moogt gij den hofpost niet betrouwen bij zijn woord.

US.

Men opent in den nacht den vijanden geen poort.

FUNGIANG.

Daar trouw op schildwacht staat, van geene gunst te krenken;
Nu waarschuwde ons dit vers het ergste na te denken!

ZUNGCHIN.

Verkies dan uit het hof den trouwsten amptenaar.

FUNGIANG.

Ik ben de trouwsto, en wil, gelijk een hofpilaar,
Den rijkstroon stutten. Men betrouw geen ronde of wachter.
Broedt hier verraad, ik wil ter sluik en stil van achter
De schelmen natren, en betrappen op de daad.

US.

Zoo een verrader zich verweert, u steekt of slaat,
Bekend of onbekend, hoe zal men d opspraak paayen?
Hoe wil uw dood door twee-en-dertig rijken kraayen!
Hoe zou men dit vergrijp verdadigen? Geen wet
Gedoogt, dat ik den prins in s levens waagschaal zett.
De rijkswet stelde mij en andren tot uw hoeders.

FUNGIANG.

Al sneefde Fungiang, nog leven be zijn broeders,
Om vaders stoel te klen en d oude heerschappij.

US.

Het wettig voorrecht eischt den oudsten van de drij
Ten troon te klimmen, tot verdadiging der wetten.

FUNGIANG.

Het eischt dan, dat we d eerste op s rijks beschutting letten

US.

Met reden, doch geensins door reukeloos bewind.
Het sta aan vader, zoo hij dit geraden vindt.

FUNGIANG.

Gij pijnigt vader met zwaarmoedige gepeinzen.

US.

Ik openbaar mijn hart vrijmoedig, zonder veinzen.

FUNGIANG.

Uw zorgen zien te verre, en suffen zonder last.

US.

Zij zien te verre, indien dees voorzorg ons niet past.

FUNGIANG.

Heer vader! geef verlof; men mag niet langer beiden.

ZUNGCHIN.

Zoo most een sterke drom van riddren u geleiden.

FUNGIANG.

Mij dient geen stadgerucht, maar met een stille trom
Te vliegen naar de poort, op kundschap en voor mom.
Zoo moet men rijksverraad opkomen en ontdekken.

US.

Waar t ongeran een storm van onraad op te wekken,
Met keteltrommelen, klaroen, en hoftrompet,
Geklep van klokken, als in t wild en zonder wet,
Getoet van hoornen, uit vier hoeken van de poorte,
Om deze misdracht van verraad in haar geboorte
Te smoren, t zij hier hof of stad van zwanger gaat?

ZUNGCHIN.

Een loozen wapenklank opwekken eischt beraad.
Het heeft zijn zwarigheid niet kleen van wederzijen,
Eu kon tot heil der stede ofs rijks bederf gedijen,
Naar de ongelijkheid van een ieder opgevat,
Of recht of averecht, en misverstand in stad
Bij trouweloozen en getrouwen teffens baren.

FUNGIANG.

Heer vader! geef verlof, om tijdig voort te varen,
En zegen me, zoo ruk ik stewaart in van t hof.

ZUNGCHIN.

Trek heen, en keer terstond; wij geven u verlof.

REI.

Ie ZANG.

Gelukkig Azi, betreden
Van God, den hovenier in Eden,
En Engelen, en God den zoon!
Gij zijt het grootste van drie deelen
Der aarde, en onder landjuweelen
Spant gij met reden d eerste kroon;
Doch aan den ring der landerijen
Van twee en dertig heerschappijen
Is Sina d eedle diamant,
Die goddelijk in d oogen flonkert,
En alle uitstekendhen verdonkert,
Gelijk een onwaardeerbaar pand.
Al wat den eersten mensch bejegent,
In t paradijs, zoo rijk gezegend,
Dat vloeit u toe uit s Hemels schoot.
Gij zijt het hart, dat ziel en leven
Aan alle uw medelen kont geven,
Ten schimp en oitstel van de dood.
Elk landschap draagt zijn vrucht en namen:
Gij vat ze in nen bondel t zamen.

Ie TEGENZANG.

Natuur, om uw geluk te waren,
Omheinde, o Sina! u met baren, Steenrotsen. platen, droogte en bank,
Of met gebergten, bosch, en wouden,
Of gulle zandzen, voor mistrouwden,
En wildernissen, breed en lang;
Doch toen Natuur, vol wonderwerken, Verzuimde in t Noorden u te sterken,
Voltrok de kunst wat haar ontbrak,
En bouwde, om u in nood te troosten,
Den muur van t Westen tot in t Oosten,
Een borstweer tegens ongemak. Tienhonderdduizend mans bevrijdden,
Ten trots van al die t rijk benijden,
Dien muur, vijfbonderd mijlen lang;
Waarna somwijl Sineesche steden
Door s Tarters inbreuk schade leden,
Geschonden van uitheemschen dwang,
Tot dat Taiminga wierd verheven,
Men wensch zijne afkomst lang te leven.

IIe ZANG.

Maar schoon, van s Tarters juk ontslagen,
En vrij van buitenlandsche plagen,
De rijksmuur dicht gesloten blijft,
Wat baat het, nu d inheemsche wrokken
s Rijks vruchtbren bodem over trokken,
En roofzucht haren moedwil drijft!
De steden treuren al t elendig,
En kwijnen aan een koorts inwendig.
Het bloed, in d aderen verrot,
Verwekt een brand van bofgebreken,
Die t rijk naar t hart te vinnig steken,
Aan krachten is geen overschot.
Wat uitkomst kunnen we ons beloven, Tenzij een hooger hand, van boven,
Den staatarts helpe alle oogenblik,
Nu d artsenijen niet vermogen
De slag der hartar opgetogen
Ons waarschuwt met den jongsten snik.
Het hoofd lijdt van verrotte leden;
Men had ze nutter afgesneden.

IIe TEGENZANG.

Aartsherder! troost verstrooide lammren,
Beschut de zielen, die nu jammren,
D onnoozlen voor het wolfsgebit
En wolven, die in t schaapskleed duiken; Het is geen tijd, het oog te luiken,
Gij hoort, hoe u de kudde bidt.
Bescherm Taimingas eedle loten,
Die t hof van Sina, toegesloten
Voor alle uitheemschen en het kruis,
Eerst openden voor uw standaarden,
Uwe eer handhaafden en bewaarden,
Ten schimp van Afgodistgedruisch. Bescherm uw planten, ter in t bloeyen, Opdat ze in kracht en sterkheid groeyen,
En vruchten dragen op haar tijd.
Een hagelbui, met recht te schromen, Dreigt uit de lucht ons op te komen,
Die hof en hoop ter aarde smijt;
Bescherm den bloesem van uw hoven,
Opdat we u met gezangen loven!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001