Joost van den Vondel (1587-1679)

Z U N G C H I N

OF

Ondergang der Sineesche Heerschappye.

Aļ. 1666

V I E R D E   B E D R I J F.

PAO, JASMIJN, ADAM SCHAL.

PAO.
Hoe dus, Vrouw moeder? hoe, gij schreit uwe oogen uit,
Ziet rood bekreten? Och, verwek geen hofgeluid
Met handenwringen! Staak dit ongeduldig kermen.
JASMIJN.
Och, dochter! och, wat raad? Wie zal dit rijk beschermen,
En ons en u? Haal Schal, mijn allertrouwsten raad!
PAO.
Daar komt de Vader aan.
JASMIJN.
                                            In welk een droeven staat
Vermaant de hooge nood nog troost bij u te zoeken?
Getrouwe Vader! och, hoe dreigen duizend vloeken
Het Hof te treffen Och! waar blijft de prins, de zoon,
Handhaver en pilaar van zijn Heer vaders troon?
ADAM SCHAL.

Genadigste mevrouw! brocht iemand kwade maren?

JASMIJN.

Geen maren.

ADAM SCHAL.

                        Waarom wilt ge ontijdig u bezwaren?
Verwacht den blijden bode, en kwel u niet te vroeg.

JASMIJN.

Geen tijding hooren geeft ons zekerheid genoeg,
Hoe ít staat geschoren. Och! het is hier omgekomen.
Van droefheid sluit mijn hart. Wie kan zich zelve toomen!

ADAM SCHAL.

Geef reden plaats. Waartoe deze ongelatenheid?
De dageraad breekt aan in ít Oostgeweste, en scheidt
De duisternis en ít licht. Ai, laat u niet verlangen!
De moeder zal den zoon eerlang ten Hove ontvangen,
Behouden en gezond. Betrouw me bij mijn woord!
Hij stelt vast orden aan de verte en aan de poort.

JASMIJN.

Dat voegde een minderen, den wachter van de benden.
De vader zijnen zoon alleen bij nacht te zenden
Van ít Hof ter stede in, met een merkelijk gevaar
Van ít leven; och, wat valt ons dees verbeelding zwaar!
De vader zal te sp‚ die dwaasheid zich beklagen.
Nog onlangs droomde ik, hoe hij op een baar gedragen
Zijn oudren tí huis kwam, ít hart met eenen pijl gewond.
Wij vielen beide op ít lijk, en kusten ís jonglings mond,
Die bleek geene antwoord gaf op nokken, tranen, klachten;
Een voorspook van den rouwe en steek, dien wij verwachten.

ADAM SCHAL.
Mevrouw! Ik leerde u, hoe de wijzen in Euroop
Geen droefheid scheppen uit een nachtgezicht, noch hoop
Op droomen bouwen, schuw van zulke valsche snaren,
Die dí ooren streelen, om ít genot der wichelaren.
O, waardste dochter van den Hemel leer uw lot
Verwachten uit den schoot van dien alzienden God
En Gods voorzieinigheid, beleidster van de zaken
Der wereld, allermeest die heerschappijen raken.
JASMIJN.

Natuur houdt ouders aan hun kinders vast verplicht
Met eenen taayen band. Het hart der moeder zwicht
Uit teÍre liefde voor den aanstoot, in haar vruchten
Te lijden. Kan ze die uitharden zonder zuchten?

ADAM SCHAL.
Dat is natuurlijk en een moeders aard gelijk.
Doch alle uw wijzen zelfs bekennen dat geen rijk,
Met alle omstandigheÍn aan ít rijksbewind gehangen,
Bij wild geval, maar uit den Hemel wordt ontvangen
Gelijk een wettig leen; en op dien vasten voet
Is ít billijk, dat gij me den leenheer kennen moet,
En danken voor ít genot van uwe wereldkronen,
Uw schoone dochter, en drie keizerlijke zonen.
De Leenheer, die ze u schonk, is machtig hen te hoÍn.
Laat af dan tí ontijde uw zwaarmoedigheid te voÍn
Met bijstre droomen en onstuimige gedachten.
Het past groothartigen, geene uitkomst hier te wachten
Dan van de hoogste hand des Hemels, hoe ze ook zij
De Keizer wandelt in de lange galerij,
Beslommerd met den staat en edele gepeinzen.
Het is geraden, uwe inbeeldingen tí ontveinzen
Met een gerust gelaat en ingetoomd ontzag.
ík Wil hopen, dat uw zoon, vůůr ít opgaan van den dag
En lentezonneschijn, u vrolijk zal gemoeten,
En offren zijnen dienst eerbiedig aan uw voeten.
Een oogenblik geduld, Mevrouw! ík vertrekke alleen
Met iw verlof, en wil met vierige gebeÍn
Den hertred van den prins, uw zoon, naar ít hof geleiden.
JASMIJN.
Wij mogen dí uitkomst dan van ís Hemels hand verbeiden.
ADAM SCHAL.
Daar hoort men Fungiang, die komt den vader thuis
Behouden, en gevolgd van eenig hofgedruisch.
Hij leeft ter goeder uur, en wil den vader spreken.
ít Is noodig, eene poos aan eene zij geweken,
Te hooren wat hij brengt, wat lot hem herwaart jaagt.
Wat roep mag ít wezen, daar al ít voorhof van gewaagt?
Het Hof raakt overend, de kleenen en de grooten.
Al wat er is, komt hier verbaasd naar toe geschoten.

ZUNGCHIN, FUNGIANG.

ZUNGCHIN.
Ter goeder ure, zoon! Wat tijding van beneÍn?
FUNGIANG.

Het ziet er deerlijk uit; dit lag me al op de leÍn:
Wij zijn verra‚n, verkocht. het is hier omgekomen.
De vijand heeft zijn slag erglistig wis genomen.
Het schort aan ít leveren. Hier is geen redden aan.

ZUNGCHIN.
Laat hooren; meld ons kort, hoe alle zaken staan.
FUNGIANG.

Ik vloog ter stede in, hoorde omtrent het merktveld momplen,
Hoe ís vijands opzet was de Westpoort tí overromplen,
En ondervraagde eens, om te polsen dezen grond,
Waar zulk een mompeling en fluistring uit ontstond?
Een burger zeÓ: Ąhier is een groot verraad besteken,
En nauwlijks staat het vrij, zijn hart recht uit te spreken.Ē
Lykungzus, eer bij kwam aansluipen met zijn macht
Naar deze stad, besloot de loosheid en de kracht
Te paren, om zijn wit te treffen door die beide.
Gemakkelijker raakt men door een voorbereide,
Dan onbereide mijn aan een gewenschten schat.
Hij zendt dan heimelijk soldaten naar dees stad,
Verkleed en stil veorheen, voorzien van geld tot tering,
Om daar in kelderen en kroegen zich ter neering
Te stellen, tegen dat zijn heerkracht herwaart kwaamí
Aanrukken, sneller dan de tijdingzieke Faam
Gewisse tijding van zijn komste in ít hof kon brengen.
Dan zouden ze onbekend zich in het oproer mengen,
Bij hen te stoken, ter bestemde tijd en uur.

ZUNGCHIN.
De krijgsbezetting heeft nochtans met kracht den muur
Verdadigd tegens al die roofgezinde knechten.
FUNGIANG.

Heer vader! dat gevecht was slechts een spiegelvechten.
De roover won den mond des krijgsraads op zijn hand;
Die vleit het avontuur door ít voÍn van misverstand~
Ter plaatse, daar ít geschut vervaarlijk op afuiten
Geladen stond, om vier op al ít geweld van buiten
Te geven, schoot op schoot, werd allerminst gestreÍn.

ZUNGCHIN.

Wij hoorden evenwel, bij vlagen achtereen,
Het dondren, balderen, en buldren der kortouwen.

FUNGIANG.

Alleen een valsche loze, om rijksverraad te brouwen;
Want onder eenen schijn van weÍrstand, aan die poort
Ten Weste, voer het boofd des krijgsraads immer voort.
De bussen, zwanger van los kruit, op hunne raden,
Met donderkloten, tang, noch ketenen geladen,
Gelieten zieh geweld te baren recht en scheef,
Daar niemand middelerwijl getroffen leggen bleef.

ZUNGCHIN.
Het hoofd des krijgsraads is zoo niet beroofd van zinnen;
Wat voordeel kan men bij zijn vijands zege winnen?
FUNGIANG.

Hij zag van langerhand uw voorspoed ondergaan,
Den valschen keizer met dien titel boven staan,
Dies was het raadzaamst, eer de nood begon te knijpen,
Het avontuur van voor gezwind bij ít haar te grijpen,
Met ís Keizers ongeluk te trouwen zijn geluk.

ZUNGCHIN.
Wij geven nauw geloof aan dit verwaten stuk.
Met krijgsliÍn, licht van aard, een wijl vooruitgezonden,
Dien handel aan te gaan een volk, dat, ongebonden
En toomeloos van tong, niet zwijgen kan, en eer
ít Gewis voor ít onwis kiest; hoe zou een wettig heer,
Die schelmen straffen kan, aanbrengers rijk vergelden.
Dit niet vernemen, dí een den andren schelm niet melden?
En, slaan we dit voorbij, hoe zou des krijgsraads mond,
Aan wi len het wachtbewind van muur en poorten stond,
Van spraak verbasterende, een rijksverrader achten,
Bij wien hij nimmermeer besolding kan verwachten,
Die zwaarder weegt dan dees, hem reede toegeleÓd,
Behalve dat zijn ampt verbetering verbeidt?
Maar spoÍ uw rede, hoe gij hier ten Hove keerde,
En meld, wat tuimelgeest de menigte regeerde.
FUNGIANG.

ík Verstond dit breeder, toen ik aan de Westpoort kwam,
Door alle straten heen. Daar zag men en vernam,
Hoe trouwe burgers en soldaten mosten zwichten
Voor trouweloozen, die behendig oproer stichtten,
En mompelden al stil, gestrooid van troep in troep.
Men dreigde ze, wie zich verstoutten, met geroep,
De rust en stilte bij den maneschijn te steuren.
De buurten luisterden met toegeslote deuren
En vensteren. Ik sloop in schaduwe onbekend,
Ontzag me tí uiteren door wenk of dreigement.
ík Heb zeven wijken, op mijn hals, ter sluik doorwandeld.
Kan vader rieken, daar wordt heimelijk gehandeld,
Om ons te leveren. Ber‚, bedenk u kort,
Eer ít nachtverraad vůůr dag ter Westpoort innestort.
De zon genaakt de kimme, en steigert op ten Oosten.
Ik ga Vrouw moeder met mijn weÍrkomst binnen troosten.

US, ZUNGCHIN, KOLA‹S

US.

Wie durf vermoeden, dat het dus geschapen staat?

ZUNGCHIN

Hier geldt geen veinzen meer. Dit eischt een kort beraad.

KOLA‹S.

Laat elk zijn inzicht op dees tijding vrij ontdekken.

ZUNGCHIN

Het allerraadzaamste is, dat wij terstond vertrekken
Met onze gemalinne en erfgenamen. Voort
KolaŁs baan den weg ten Oosten naar de poort.

US.

De Keizer is te vast verplicht aan dí onderzaten;
De kinders knnnen zoo den vader niet verlaten.

KOLA‹S.
De tegenwoordigheid des Keizers geldt hier meer
Dan honderdduizenden, gesteld tot tegenweer.
ZUNGCHIN.
Wij vinden ongera‚n, te duiken in dees hoven;
Waar ít hoofd geborgen wordt, staan alle leden boven.
US.

Gij kunt niet vluchten dan door ít uiterste gevaar.

KOLA‹S.

De dubble muur van ít hof verweldigen, valt zwaar
Voor dit inheemsch geweld. Al waar de stad gewonnen,
Zoo ít Hof volhardt, is ít werk gerokkend, niet gesponnen.

US.

Indien opstemmen geldt, men reekne het getal
Gij vindt in duizenden niet ťťn, die stemmen zal
Tot uw vertrek. Och, zijt U zelven eerst genadig!

ZUNGCHIN.
Dit Hof, vol huichelaars, is wuft en ongestadig.
KOLA‹S.

Waar vlucht ge zeker, in zoo groot een dwarreling?

ZUNGCHIN.
Het zekerste is, Peking te ruimen om Nanking,
Den oudsten stoel, waarop een rei van Keizren zaten;
Een vrijburg, op wiens trouw de Keizers zich verlaten.
Daar stroomt Kiang voorbij. In dien rijksboezem zal
Een onverwinbre maclit van vloten, zonder tal,
Verzamen, om ít geweld des roovers ít hoofd te bieden.
KOLA‹S.

Indien dees roofgriffoen den vluchtling, onder ít vlieden,
Inhalende met kracht, een klauw van achter gaf,
Nanking verstrekte u dan geen vrijburg, maar een graf.

US.

Met ís Keizers ondergang lag ít gansche rijk begraven,
En uw verlaten volk aan ís roovers kniÍn, als slaven
Geketend om den halss ter aarde in bloedig stof.

ZUNGCHIN.
Wie van u allen schrijft ons wetten voor in ít Hof?
US.

Het voegt den dienaar, voor zijn meesters heil te zorgen.

KOLA‹S.

Men rekent hof en stad in U alleen geborgen.

ZUNGCHIN.

Om ons te bergen, schijnt het wijken eerst gera‚n.

US.
De krijgskans, trekt ge heen, zal daatlijk ommeslaan.
ZUNGCHIN.

Gij kunt ten minste een maand de stad en ít hof beschutten.

US.

De stad, bezwijkt ge ons, steunt op al te kranke stutten.
Al wat nog weifelt, koos terstond de sterkste zij.

KOLA‹S.

Dan stortten we overhoop; dan lagen we als in lij.

ZUNGCHIN.

Gij zijt met ís Keizers val niet veilig noch gehulpen.

US.

Neen zeker; stortte ít Hof, ít zou duizenden bestulpen,
Begraven onder puin van gevel, muur, en dak,
Het gansche Sine alom gevoelen zulk een smak,
Eu davren, dreunen met zijn praaltriomfgewelven.
Gij kunt veel duizenden verschoonen in u zelven.

ZUNGCHIN.

Wat wederstaat ge ons dan in ít wijken van dit erf?

KOLA‹S.

Gij kunt niet wijken dan met algemeen bederf.

ZUNGCHIN.
Het schijnt, heel Sina brandt beneden onze zolen.
KOLA‹S.

De Hemel heeft u ít heil des onderdaans bevolen.

ZUNGCHIN.
Wij wouden op dien voet verlaten dezen grond.
KOLA‹S.

Waar woudt ge vliÍn? gij vloogt dien vijand in den mond.

US.
Hoe stillen wij de stad, en Hof en hovelingen?
Zij hingen aan den tak der hemelsche Taimingen,
Gelijk een dichte zwarm van bijen, vast en hecht,
Driehonderd jaren lang gehandhaafd, en berecht
Van hunnien koning, daar ze om hengelen en zwarmen.
Zij kunnen zonder hem zich redden noch beschermen;
Want missen ze het hoofd, zoo dwalen ze van een,
Een lichaam zonder hoofd, wat ís ít lichaam dan? alleen
Een hoofdelooze romp, beroofd van brein en zinnen.
Volhardt dan in het hof, en stel een wijs hier binnen.
Wij zetten ít leven bij U op, wat eischt ge meer?
ZUNGCHIN.
Staffiers! maar binnen toe. Brengt wapens, brengt geweer
En paarden! Het is tijd, hoog tijd, te paard te stijgen.
Hier staan een deel vcrstomd. de hofbesneÍnen zwijgen
Of momplen binnen ís monds, uit een geveinsd gemoed.
Hoe aangegaan met dit veraard, dit snood gebroed?
Het is geen suffeus tijd, ít is noodig zich te reppen.
Men steke een bloedvaan mit. Men moet de hof klok kleppen.
Te wapen, mannen! voort, te wapen! mannen, voort!
Ontgrendel fluks het Hof, en volgt me door de poort
Ter stede in, eer het zeil van ít rijk begint te gijpen.
ít Is tijd te sabelen en bij den hals te grijpen;
Al lang genoeg gemard! Men rukkí ít momaanzicht af:
Men saable hoofd voor hoofd, een welverdiende straf.

JASMIJN, FUNGIANG, ZUNGCHIN.

JASMIJN.

Getrouwe bedgenoot! gij moogt ons niet begeven
In dees gelegenheid. Verschoon, verschoon uw leven!
Bewaar het hof, of wilt gij enkel hene in steÍ,
Zoo neem uw keizerin en lieve dochter meÍ
En zoons. Och, vader! zie uw doodsche dochter schreyen.

FUNGIANG.

Heer vader! geef gehoor.

ZUNGCHIN.
                                             De tijd verbiedt te beyen.
Wat baat dit jammeren? De nood eischt spoed en kracht.
Waar blijven lijfstaffiers, hofschutten, binnewacht?
Waar blijven dí oversten, de ridders, en de knapen?
Men moet zich uiteren; het is geen tijd te slapen.
FUNGIANG.

Heer vader, geef gehoor!

ZUNGCHIN.
                                            Waartoe dit ongeluid?
Men recht met jammeren en kermen hier niet uit.
Wij moeten door den drang, door vriend en vijand streven,
Een eerelijke dood voor een oneerlijk leven
Verkiezen. Laat ons los! Wie houdt onze armen vast?
JASMIJN.

Getrouwe bedgenoot! wilt ge ongeharrenast
U mengen in gevaar van sabelen en bijlen,
Heerhamer en musket en kogelen en pijlen,
Zoo neem ons tí zamen mede, en gun me, aan uwe zij
Te sterven? ik bezwere u, bij de kroon en bij
Den gouden rijksstaf en dees geele rijksgewaden,
Bewaar den stoel, het rijk ten beste! Laat u raden;
Alle oogen zien op u.

ZUNGCHIN.

                                    Laat los; wij moeten voort.
Wij troosten ons, dien storm te schutten in de poort,
In ít midden van ít gedruisch en brieschen van de paarden,
Of vroom te sterven, daar getrouwen en veraarden
Zich kanten tegens een, en strijden hand aan hand.

JASMIJN.

Och, allerliefste! hoŻ ten minste een luttel stand,
Tot dat uw bedgenoote, uwe eenige getrouwe,
U haar gemoed voor ít leste, in ít uiterste, eerst ontvouwe;
Dan ruk vrij hene, dat de Hemel u geleÓ!

ZUNGCHIN.

Welaan dan, maak het kort. Waartoe dit hofgeschrei?
Het is verwerens tijd: de vijanden genaken.
Wat eischt ge?

JASMIJN.

                           Stel een wijs en orde op uwe zaken,

ZUNGCHIN.
Vertrekt, gij heeren fluks, vertrekt; laat ons alleen!
JASMIJN.
Vermag ik iet op u, met tranen en gebeÍn,
Zoo berg, eer gij vertrekt, de hoop van onze kronen,
De panden van ons trouw, dit drietal, uwe zonen.
Zoo lang van deze drie een rijksoir overschiet,
Berooft geen vijand mij, uw weduw vol verdriet,
Dien nagelaten troost, indien ge komt te sneven.
ZUNGCHIN.

Waar met uw dochter en haar moeder dan gebleven,
Indien, de nachtstorm ons in deze barrening
Bestulpende, de hulk van ít oude rijk verging,
En eeuwig schipbreuk leed? Wat winst vergoedt die schade?
Dan stondt gij beiden bloot, de wrake ter genade.

JASMIJN.
Dat ga zoo ít wil, zoo ít kan; ít gedij tot schande of lof,
Wij scheiden nimmermeer vrijwillig van dit Hof.
ZUNGCHIN.
Hoort toe, mijn zonen! Past u datelijk te bergen,
Den ondren weÍrstaan, heet in ít rijk den Hemel tergen.
Konfucius heeft elk dees hoofdles ingescherpt:
God zelf verwerpt hem, die zijn ouders raad verwerpt.
Wij kunnen, Fungiang! van uwen aard getuigen,
Grootmoedig als een leeuw, te breken noch te buigen.
Nu buig u onder ons gehoorzaamheid al stil!
FUNGIANG.

Heer vader! spreek een woord; wij volgen vaders wil.

ZUNGCHIN.

Gij zult, tel stroompoorte uit, met eene gondel ijlen
Naar vader Changus, den Konfuciaan, vijf mijlen
Van stad, in ít eenzaam bosch; daar duikt dees woestijnier.
Versteek u daar, verkleed en stil, een dag of vier,
En zie den uitgang van Peking aan bij dien Heilig.
Gij kunt, mislukt het hier, dan vluchten, snel en veilig,
Te water naar Nanking, het oudste Keizershof,
Met deze uw broedren. Voort!

FUNGIANG.

                                                      Wij nemen dan verlof.
Heer vader! zegen ons.

ZUNGCHIN.
                                         De Hemel zij u hoeder!
FUNGIANG.

Het ga u beter dan wij duchten. Och, vrouw moeder!
Och, lieve zuster! och, wij kussen u voor ít lest.
Misschien kan ít beter gaan.

ZUNGCHIN.

                                                  Voort, voort! de noodweer prest.
Wij willen zelf tot aan den Hofstroom u geleiden.
Wie ít Huis wil bergen, moet de zoons en vader scheiden.

JASMIJN.
Och, bitter scheidden! Och! wij zien ze nu niet meer,
Of hachelijk. Wat neemt het wereldsdom een keer
Met hoe veel juichens, met hoe groote zegeningen
Onthaalde ons ít Hof! Geluk, o voÍster der Taimingen!
Toen dí oude sluyerkroon, naar dí ingewijde wet,
Ons in de hofkerk, vol triomf, wierd opgezet,
Waarna wij door den drang der Vorsten gingen brommen
Met vier erfkinderen, vier vaste rijkskolommen,
Om op te steunen. Och, hoe wankelt nu de staat!
Tree binnen, dochter! ík hoor een stadgerucht op straat.

KOLA‹S, US, ZUNGCHIN.

KOLA‹S.

Wat raad? Wij staan ten doel der opperste ongenade.
Wij waarschuwen, helaas! de Majesteit te spade
Tí ontvluchten, aangezien het onheil met den dag
Haar plotsling overvalt, en waarschuwt met den slag.

US.

Hoe staat het dan? Men moest niet zonder reden schromen.

KOLA‹S.

Hij borst ter Westpoorte in. Het krijgsheer bruist als stroomen
Ter stede in naar het Hof.

US.

                                              Wie openden de poort?

KOLA‹S.

De krijgsraad, schelmen, rijksverraders. Dat de moord
Hen sla! de donder schende o, heillooze onverlaten!
De trouw heeft teffens uit hij burgers en soldaten
En oversten; wij zijn geleverd en verra‚n.
Wat raad? wat raad? Geen raad. Daar stapt de Keizer aan.

ZUNGCHIN.

Onze afkomste is gebergd, behouden buiten zorgen.

KOLA‹S.

Genadigste! wat raad? Oeh, waart ge zelfgeborgen!

ZUNGCHIN.
Wat ís dat te zeggen? drijft het Hof op avontuur?
KOLA‹S.

Lykungzus is in stad. Hij heeft den dubblen muur
Van ít hof verweldigd.

ZUNGCHIN.
                                      Hoe?
KOLA‹S.

                                                Alle elefanten dronken,
In hunnen slaap gesmoord, in steÍ van waken, ronken
Op hunnen breeden rug. Dat heet op schildwacht staan.
Nooit Keizer werd zoo schalk van hof en stad verra‚n.

ZUNGCHIN.
Het is dan vluchtens tijd met alle onze eedgenooten.
KOLA‹S.

Te sp‚, helaas te sp‚; de toegang is gesloten
Aan alle kanten. Och, de jongste dag verscheen!

ZUNGCHIN.

Meineedigen! is dat voor ís Keizers recht gestreÍn?
Heeft u de Keizer, in den top der heerschappije,
Vergeefs milddadig. met verheffing van soldije
En eere en ampten, aan de glorie van zijn kroon
Verbonden, om hem dus te bonzen uit den troon?
Lykungzus niet, maar gij zijt schuldig, zijt handdadig
Aan dit verwaten stuk. Wie valt ons nu genadig?
KolaŁ!s toon uw trouw aan uwen trouwsten Vorst.
Tree herwaart; stoot dien dolk in onze oprechte borst.
Tree herwaart! Deist ge nu, en uw trouw te zoeken?
Lijfschutten. hofstaffiers, gij hofbesneÍnen, vloeken
En pesten van het rijk, genaakt op ít ongezienst,
Treedt rustig toe; stoot toe, en boet met dezen dienst
Uw vadermoord! ít Is tijd dit edel bloed vergoten.
Nu redt ons door den dood, gij hebt ons dood besloten.
Valt teffens aan: stoot toe; wij staan u schoon en bloot;
Daar legt uw keizers hart: dat zoekt ge. Snijdt of stoot,
Dat geen Lykungzus ons aan duizend stukken scherve.
Ontvangt den lesten snik, terwijl ik tijdig sterve.
Dan och! zij weigren ons dien jongsten dienst. Welaan,
Men moet zich redden. ík Zal een poos naar binnen gaan.

US.
Waar streeft de Keizer? Och, hoe barnen die gedachten
KOLA‹S.

Daar steekt een hofgalm op van rouwe en jammerklachten.
De hofklok klept vast brand en moord, en slaat geluid.
De torenwachter blaast verraad ten toren uit,
Van zeven transen, Welk een bliksem! welk een donder.
De hoofdstad en ít paleis, al ít bovenste raakt onder.
Het gansche Sina smilt in ťťnen mengelklomp.
Peking verlaten schijnt een hoofdelooze romp,
Een lichaam zonder hoofd. Maar treÍn we spoedig binnen;
Hier valt met jammeren en klachten niet te winnen.

US.

Ik volge u fluks. Helaas, men heeft dit lang gespeld!
Het lag me al op de leÍn. Geen reden (och, ik smelt!)
Kon dien inheemschen brand van snoode hofgebreken,
Allengs aan ít smeulen en gelijk een pest ontsteken,
Uitblusschen. Hemel, help Uwe ondermajesteit
Hier komen keizerin en dochter, rood beschreid.

PAO, ZUNGCHIN, US.

PAO.
Vrouw moeder! ít is gedaan.. Wij scheiden uit dit leven.
Wie tranen stort kan nog dien rouw te kennen geven
Door tranen, teekens van verzetbren rouw en druk,
Maar geene traanzee kan ons uiterste ongeluk
Uitheelden; neen, och! neen, noch zulk een bloedvlak wasschen
Uit vaders stamboek. Och, wat ramp komt ons verrasscn!
ZUNGCHIN.

Aartskansler Us! hoor toe: aanvaard dit leste pand,
Dien brief, geschreven met ons eigen bloed en hand,
En zweer me bij uw hoofd, na ít korten van ons leven,
Lykungzus dezen brief met uwe hand te geven.

US.
Ik zwere hij mijn hoofd; de hemel hoorí het aan!
ZUNGCHIN.
Volhard, mijn dochter! blijf Heer vader onderdaan.
Lykungzus nadert vast, om u en ons tí onterven.
Gij moet van vijands of van vadershanden sterven.
Die schender zal u, na uw vaders rijpe dood,
Den scherreprechter eerst toedoemen, die u bloot
En naakt voor ít hofgezin durf schenden en schoffeeren,
Dan u de blanke horst met gloÍnde tang en scheeren
Afrukken, scheuren, en, in ít barnen van ít geraas,
Zijn dolle hondejacht, gelijk een lekker aas,
Toesmakken op den vloer, van vaders bloed nog dronken,
En lauw en rokende, om met zulk een daad te pronken.
Wij gunnen u den keur van beiden: kies en deel,
Ons rol heeft uitgediend op ít bloedig Hoftooneel.
PAO.
Heer vader! ík geef aan u mijn lichaam zuiver over:
Beschut me voor geweld van dien verwaten roover.
Ik kusse u voor het leste. O vader! ík neem verlof.
ZUNGCHIN.
Nu, dochter! volg me naar uw kamer in het hof.
US.

O heerlijke, aangename, en hemelsche uitgekoren!
O eenige erfprinces, wat einde is i beschoren!
Gij, schoone fenixbloem in ít heilig kronendal,
Helaas! mij schrikt alreÍ voor ít opgaan van ít geschal,
Dat uit de traliŽn van uw bebloede kamer,
Door hof en hofgewelf, nog Luider dan de hamer
Der hofklok klinkt, als zij de daken over bromt.
Ik zie, hoe stroom en stad en heel Peking verstomt,
Verbaasd van schrik en angst, en zelfs uit mededoogen
De wraak der vijanden verzet staan en bewogen.
O, bloem van veertienjaar o, vreugd van moeders trouw!
Wat was er een gejuich, toen dí eerste morgendouw,
Uw levens dageraad besproeyende op zag luiken
Al ít joffrentimmer riep: Ąwie zal dees meibloem pluiken?
Wat koning waardig zijn, den ring, den diamant,
He puik van IndiŽn, aan haar gewijde hand
Te steken?Ē Och, zij stort!Daar legt, daar legt ze neder!
Hoe schudden hof en stad! Gelijk wanneer een ceder
Ten berge afrolt. Al, hoor dat schriklijk hofgedruisch,
Dat huilen, dat geschrei, gebalkt door ít Keizershuis!
Het schijnt, de hemel giet, afgrijselijk verbolgen,
Zijn viergloed teffens uit. Nm wil het zwaarste volgen.
De zwaarste droefheid is op ít uiterste gespaard.
Hoe dreunt dees hofkolom!!De stroom schiet achterwaart,
Die met zijn watervat den hoomgaard kwam hesproeyen.
De dolle donder wil dien stamboom, ouder ít bloeyen,
Na driewerf honderd jaar, neÍrploffen, slag op slag.
Hoort toe! hij ploft. hij stort. o wee, o wee, o wach!
Al wat er vast hangt aan dien diep geschoten wortel
Valt met hem, en verplet het al aan gruis en mortel.
Nu valt dit ruime hof mijn omderdom te nauw.
Gij, dienaars! stut me. ik ga: ik zwijm: mijn hart wordt flauw.

REI
Ie ZANG.

Helaas! waar schuilen wij voortaan?
ít Is met den Keizer omgekomen,
De majesteit met hem vergaan.
O, lustprieel! o, pruimeboomen!
Getuigen van zijnen weelgen stand;
O kouseband!
Hij drijft er bij de keizerin,
Met hem gestikt in ťťnen asem,
De trouwe min en wedermin
Verdwenen, als een rook en wasem.
Zoo zinkt de zonnschijn onder de kim:
Dan rijst de schim.

Ie TEGENZANG.

Nu dreigt een helsche en blinde nacht
Van dwalinge en afgoderijen
Het licht van ít Kruisaltaar, met kracht,
Door ít ommeslaan der heerschappijen,
Te blusschen, den heidendommen ten spot;
O, bitter lot!
Nu staan de kruisgezanten bloot,
Ten doele der Godslasteraren.
De kerkgewelven lijden nood,
En onbebloede Kristaltaren.
Het zielverhuizen gaat sneller zijn gang.
Wie smoort dees slang?

IIe ZANG.

Men vreesde lang, van tijd tot tijd,
Den inbreuk uit des Tarters landen;
Maar Uzangueius, die zich kwijt,
Bewaakt den rijksmuur, breekt de tanden
Der gruwzame tijgren, en houdt ze in tucht,
Wij scheppen lucht.
Ontsloot hij ít rijk voor ís Tarters stam,
Wie zou dan eerst de bloedvlag strijken,
Lykungzus of de groote Kham?
Wie zou een voet den andren wijken?
Wij zaten hier tusschen beide bekneld.
Hoe waar ít gesteld!

IIe TEGENZANG.

Zoo lang dí aartskansler Us den zoon
Gebiedt, en blijft in staat en eere,
Strekt hij een waarborg voor dees kroon,
En nieuwen aangenomen Heere.
De liefde van vader en zoon verwint;
De bloedband bindt.
Laat ons in ít Hof ten outer treÍn,
In zulk een ommezwaai van staten,
Den Hemel offren met gebeÍn,
Den wil des Oppersten gelaten.
ít Is God, die den rijken hun palen zet.
Dit ís dí Opperwet. 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001