Joost van den Vondel (1587-1679)

Z U N G C H I N

OF

Ondergang der Sineesche Heerschappye.

Aļ. 1666

V I J F D E   B E D R I J F.

US, LYKUNGZUS, XAYANGA, REI.

US.

Nu rept u in der ijl, staffiers en hoftrouwanten !
En past op ít voorhof hier den gouden troon te planten.
De nieuwe Keizer stapt door juichend hofgewoel,
Op trommel en trompet, naar ís voorzaats hoogen stoel.
O, zegenrijkste vorst en veldheer, aangebeden
Van koninkrijken en een rei verwonne steden
Genaakt ter goeder ure en schut der volken sch‚ !
Ontferm u over ít volk, en open uw gen‚
Voor allen, die in ít stof, aan ít outer van uw voeten
Zich werpende, u verheugd inhalen en begroeten.

LYKUNGZUS.
Rijs op, aartskanselier! gij waart den voorzaat trouw.
Dat een van allen nu den nazaat klaar ontvouwí,
Hoe deze treurrol van Zungchin is afgeloopen.
US.

Trouwanten! zet de poort van hof en boomgaard open.
Genadigste! daar zien uwe oogen in ít verschiet
Den droeven uitgang van Taimingaís oud gebied.
Zij drijven beiden stil op hunne kousebanden;
Flus dreef heel Sina nog en vijftien groote landen
Alleen op ít erfgezag van hunne majesteit.
Daar komt de rijksvorstin Xaiange, om u bescheid
Te brengen, en het lot tí ontvouwen van dees beide;
Want, als staatjoffer, zij onze erfprinces geleidde
In haar slaapkamer, en de doodsche keizerin
Naar ís Keizsrs lusthof en het bloedspoor van Zungchin.
Zij heeft de doodverf al gezet, van rouw bezweken.

LYKUNGZUS.

Schep moed, Mevrouw! bedaar; verhaast u niet in ít spreken.

XAYANGA.

Genadigste! och, wat heb ik heden niet beleefd!
De geest der dochter en haar moeder waart en zweeft,
Gelijk ook ís Keizers geest, voor mijne scheemrende oogen:
En nauwlijks kan ik nu dí opgaande zon gedoogen,
Die levenden verkwikt en mijn gemoed bedroeft.
De droefheid houdt mijn hart bekneld en toegeschroefd.
De dochter ínam zoodra geen oorlof van den vader,
Op ít voorhof, met een kus, of zij en bij te gader,
Met een de moeder, treÍn, gevolgd van hofgezin
En mij, verbaasd en bleek en doodsch ter kamer in.
De dochter zet zich, met geen tranen op de wangen
Van doodschrik, nu getroost den hartesteek ít ontvangen,
Voor haar Heer vader schrap, die stijf staat en bedrukt,
Als zij den boezem met haar handen openrukt.
Wat was er een geschrei! wat hoort men al getrappels!
Wij zag geen borsten, neen, maar een paar hangende appels,
Van koningshanden waard, uit gloed en bruiloftslust,
Eerbiediglijk gestreeld, gekust, en dan herkust.
Hij kent zijn eigen kroost aan aangezicht en oogen,
De spiegels van haar ziel, met ís vaders rouw bewogen.
Hij ziet de versche roos van weÍrzijde op de wang
Bestorven, ook den mond. Wat staat de vader bang
Met eenen blooten dolk! Bij smijt den ponjaard neder,
En stampte langs den vloer wel driewerf hene en weder;
Toen toegetreden keert het aanzicht van haar af,
Ontveinzende den steek, dien hij de dochter gaf,
Als door zijn eigen hart. De bloedbron, niet te schatten
Op ít fijnste kronegoud, aan ít springen, stroomen, spatte;
Besprengt het keizerlijk, het vaderlijk gewaad.
Zoo zijgt ze neÍr. De dood misverft dat schoon gelaat.
De moeder staat stokstijf. De vader raast verbolgen,
En vatte ze bij de hand, die nauwlijks hem kan volgen.
Ik ondervang ze en breng haar naar het lustpriŽel,
In ís pruimbooms schaduwe; een elendig treurtoonee!
De Keizer kust ze, en spoedt te scheiden uit dit leven,
Verhangt zich aan den boom, van wanhoop aangedreven,
Met zijnen kouseband. Zij volgt den Keizer na,
Gejaagd van ít hofgeschal: Ąvertoef niet; rep u, dra!
Lykungzus komt, gesterkt van duizend hofbesneÍnen;
Uw jongste dag is om; uw zon heeft uitgeschenen !

LYKUNGZUS.

Ons jammert hunne elende en ít hooren van dien toon.

US.

Genadigste, bekleÍ dien ingeruimden troon!
Geen vroom Sinees kan u deze erfnazaatschap weigren.

LYKUNGZUS.

Hoe dus? bezwijken nu de beenen, onder ít steigren
Ten ingeruimden troon, tot driewerf achtereen?
Wat spelt dit voorspook, heil of onheil? Neen, o neen;
Wij willen onversuft ons in dien zetel zetten,
En ít rijk handhaven hij zijn recht en oude wetten.

US.
Geluk, Heer Keizer! heil; lang leven, rust, en spoed!
Ontvang dien gulden brief! Zungchin heeft, met zijn bloed,
Als zijnen jongsten wil, dit blad aan u geschreven,
En op den eed belast, den nazaat dien te geven.
LYKUNGZUS.

Heer kansler! lees den brief voor allen overluid.

US.
ĄGeluk, Heer nazaat! ons regeering heeft nu uit.
Geene onderdanen ons van deze kroon beroofden,
Maai hofbesneÍnen, krijgskornels, en opperhoofden.
Zij meldden godloos ons het hofverraad te sp‚.
De Hemel schenkt u ít rijk. Acht schelmen uw gen‚
Onwaardig! Straf ze streng, ten spiegel van de boozen.
Neem wraak, in onzen naam, van schelmen en godloozen!Ē
LYKUNGZUS.

Waar blijft KolaŁs?

US.
                                    Hij verhing zich aan een boom.
De wanhoop, los van band, gaf eenen vrijen toom
Aan hofbesneÍnen, trouw bij eer en eed gebleven,
Om, op hun meesters spoor, te scheiden uit het leven.
LYKUNGZUS.

Aartskanselier! volhard; uw trouw blijve ongewraakt.
Schrijf Uzangueius, die den grooten muur bewaakt,
Tienhonderdduizenden gebieden kan met wenken,
Dat hij ten Hoof verschijní. Wij willen hem beschenken,
En hooger heffen op een koninklijken troon.
Uit kracht van ít recht, dat gij hebt over uwen zoon,
Beveel hem op den hals, dat hij zich in koomí stellen,
Met alle hoofden en manhafte krijgskornellen.
Men zal ze al tí zamen van den ouden eed ontslaan,
Om door den nieuwen eed, getrouw en onderdaan,
Lykungzus op den troon, hem toegekeurd, tí ontvangen.

REI.

Wij, kruisgenooten uit Europe, om strijd verlangen,
Doorluchtste Majesteit! te hooren uit uw mond,
Of wij Peking en ít Hof, dat voor ons open stond,
Verlaten moeten, en terstond te lande uittrekken.

LYKUNGZUS.

Volhardt; wij willen in ons schaduwe u bedekken
Voor oproer en geweld. Lykungzus blijft uw vriend.
Gij hebt dees kroon getrouw gehandhaafd en gediend,
Bewaart de handvest van uw vrijheid onbezweken.

REI, DE GEEST VAN XAVERIUS.

REI.

Geloofd zij God! Nu laat ons Hem eendrachtig smeeken,
Dat Hij een teeken van genade ons openhaarí.
Hier daalt een heldre wolk. Men ziet eene Engleschaar
Aanheffen eenen dans, op hemelsche gezangen.
Men kniele om zulk een groete, uit ís Hemelsch schoot ontvangen,
Geluk en zegen, ons van boven toegeleid.
De wolk gaat open. Welk een glans en heerlijkheid
Verschijnt hier in ít verschiet, uit ís Hemels goude bogen!
Een Heilig, rijk van glans, verkwikt de schreyende oogen,
En opent zijnen mond tot ís Allerhoogstens eer.
Men luistre aandachtig toe, en valle op ít aanzicht neÍr!

DE GEEST VAN XAVERIUS.

Altaargenooten, mijn gebroeders! wilt niet vreezen
In dezen overgang van ít rijkshof der Sineezen;
Lykungzus hangt te los aan ít wankele avontuur;
Want Uzaugueius zelf, de wachter, wil den muur
Ontsluiten voor het heer des Tarters. Dees aan ~ít bruisen,
Zal, als een waterval, door opgezette sluizen
Inberstende, al het land zet in een bare zee,
Veld winnen; de tyran Lykmngzus deze steÍ
Verbaasd verlaten, vliÍn met zijn geroofde schatten,
Omkomen, en Peking het nieuw gezag zien spatten;
Twee zonen van Zungchin onthoofden voor de stad,
Den derden in een poel, van wanhoop afgemat,
Gesprongen, over hals en hoofd gedompeld, smoren,
En al ít Sineesche rijk, na slag op slag, verloren.
Dan wil de groote Khan, in dezen ommezwaai
Van staten, Tartarije en Sina en Kathay,
In ťťne heerschappij gesmolten, trotsch regeeren.
Hij zal uw vrijheid niet besnoeyen, maar vermeeren,
Terwijl ge ít Heidendom herbaart door Kristusí wet,
Tot dat zich díAfgrond, dol van nijd, hier tegens zettí,
De nazaat opgeruid, en zonder reÍn verbolgen,
Besta den Godsdienst straf te dreigen en vervolgen,
Den BonsiŽní ter gunste en hun vervloekt altaar.
Zoo ging het in Japon, getreden vijftig jaar.
Het wettig strijden gaat voor ít heerlijk triomfeeren.
Wie kan Gods oordeel en voorzienigheid grondeeren!
Want krachtig treft ze ít wit en oogmerk, daar ze op mikt,
Terwijl ze lieflijk ít voorgeziene in orde schikt.

REI.

Al zien we boven ít hoofd veel donkre wolken hangen,
Wij geven ons aan Gods voorzienigheid gevangen
Met onvermoeid geduld, met oodmoed en ontzag.
Het licht komt, na den nacht, veel schooner voor den dag.



Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001