Joost van den Vondel (1587-1679)

Z U N G C H I N

OF

Ondergang der Sineesche Heerschappye.

Aº. 1666

I N H O U D.

Zungchin, keizer van Sina, de leste uit den stamme van Taiminga, bezeten van onverzaadzame gierigheid, en hierom teffens van oversten en onderdanen gehaat, wordt te Peking, de hoofdetad en de stoel des rijks, onvoorziens besprongen van Lykungzus, hoofd der wederspannelingen en opgeworpen keizer. Dees hadde heimelijk verstand met den mond des krijgeraads en eenige belhamelen, alreede stil in de stad vooruit afgevaardigd, om tegens zijne aankomste onraad en misverstand te brouwen. De stad was met eene geweldige bezettinge, de muur in ’t vierkant met kortouwen gewapend; doch daar de wederspannelingen storm liepen, stond het grof geschut slechts zwanger van los bussekruit, en de wederstand hier en elders was alleen een schijnstrijd en bloot spiegelvechten, tot dat eindelijk de poort van binnen schichtig geopend, de vijanden, vóór den opgang der zonne (want eenige getrouwe voorvechters hielden niet lang stand) ter stede inberstende, het hof, onaangezien den wederstand van eenige vrome rijksamptenaren en hofbesneênen, overweldigden. Lykungzus hadde nu den eersten hofmuur, eer de keizer het merkte, alreede veroverd; want trouwelooze hofbesneênen, bij wien het meeste gezag bestond, stchden het waarschuwen zoo lang aan d’ eene zijde, uit vreeze, dat de keizer den slag ontwijken zoude; maar, hij buiten hoop van ontvluchten gesteld, raden vromen, ook onvromen, onder schijn van trouwe, hem het paleis en de stad te verlaten; waarop Zungchin (hoorende, dat de weg alom gesloten, alle hoop van ontvluchten benomen was) eenen brief met zijn eigen bloed schreef, waarin hij d’ oversten van het te spade ontdekte verraad beschuldigde, d’ onderdanen ontschuldigde, en begeerde, dat Lykungzus, dewijl de Hemel hem het rijk beschoren hadde, wraak zoude eischen van trouwelooze oversten en vadermoordenaren. Terstond hierna doorstak hij zijne eenige huwbare dochter, om haar niet ten guichelspele des triomfeerenden vijands te stellen, en verhing zich zelven aan eenen pruimeboom, met zijnen kouseband, gelijk ook de keizerin, Kolaüs, de stadhouder, eenige getrouwe hofbesneênen, mandarijnen, en menigten van burgeren hem in den dood navolgen. Lykungzus komt hierop ten hove, hoort en ziet den uitgang van Zungchin, zce zich op den keizerlijken stoel, loot den bloedbrief lezen, gebied Us, den saartskanselier, Uzangueius, zijnen zoon, wachtmeester van den rijksmuur, ten hove te verdagvaarden, om met alle krijgsoversten den nieuwen eed van getrouwheid te staven. Hij belooft de Kriatensche kruisgenooten bij de handvest van hunne vrijheid te handhaven, aan wien de geest van den heiligen Franciucus Xaverius, verschijnt, en hun voorspelt het omkomen van ’s keizers drie zonen, Lykungzus’ ordergang, en den opgang van den grooten Khan, Keizer der Tartaren, onder wiens regeeringe de Kristensche godsdienst zich door geheel Sina eerst wijder zal uitbreiden, doch eerlang door den nazaat onderdrukt worden.

Het tooneel is te Peking, op het voorhof. Het treurspel begint na den ondergang, en eindigt met den opgang der zonne.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001