Joost van den Vondel (1587-1679)

Z U N G C H I N

OF

Ondergang der Sineesche Heerschappye.

Aļ. 1666

DEN WELEDELEN HEERE

CORNELIS NOBELAER,

HEERE VAN KABAU, GRYSOORT ETC.

De staatwijzen, alle de krachten des vernufts opspannende, om eene bestendige heerschappije te beschieten, konden nooit hun gewenscht oogmerk treffen. De Romeinen, in staatkennisse en oorlogshandel, boven alle andere volken bedreven en uitgeleerd, lieten zich voorstaan, dat die kroon in Cśsar en Augustus voltrokken was, toen deze stem, gelijk een hemelsche trompet, de wijde wereld dí ooren klonk:

Imperium sine fine dedi. (*)

Maar dí uikcomst leerde sedert, hoe het rijk, na verloop in drie en vier eeuwen, geschokt en bouwvallig, allengs tot eene woestheid kwam te spatten en zulks, dat van en grooten naam, nu al overlang, niet dan de ontleende galm en doodsche schaduwe overschiet. Eeuwigheid, gedunrzaamheid, bestendigheid blijven de Godheid eigen, die de wereldsche machten onverwrikbare palen zet, en, gelijk profeet DaniŽl zegt, tijden en jaren verandert; rijken overvoert en bevestigt; ons leerende geene zekerheid, buiten God, in veranderbare dingen te stellen. Op deze veranderingen van staten en doorluchtige personagien draven de treurspelen doorgaans ten tooneele, die, naardat ze van te grooter nadruk zijn, te heerlijker boven de mindere aftsteken. Onder zoodanigen mag dit voorbeeld van den Sineeschen keizer Zungchin, onlangs voorgevallen, onder de naamhaftigste met recht gerekend borden; want bij, de leste telg uit den befaamden stamme en geslachtsboom der Taimingen, omtrent driehonderd jaren in volle eere, sleepte door zijnen val met zich dien bloedigen inbreuk van den grooten Khan, keizer der Tartaren, en gaf heldendichteren rijke stof, om eene Ilias hier mede te stoffeeren. De goddelijke poŽet zegt van koning Priamas:

Hśc finis Priami fatorum, etc. (*)

Hetwelk beter op keizer Zungchin past, wiens lijk op het veld, voor dí oogen van zijnen triomfeerenden vijand, aan riemen en dunne snipperlingen gesneden lag; want Priamus, hier beheerscher van AziŽ genoemd, beheerschte alleen FrygiŽ en MygdoniŽ, niet te gelijken bij het wijd≠strekkende Keizerdom van Sina, het Oosterschc Europe genoemd. Maar hiermede eindigt mijne rede nog net; hier valt iet meer bij te voegen.

Het Apostolische licht der waarheid hadde, in zijnen opgang, niet alleen de OostindiŽn, maar ook Tartarye, naar de getuigenis van hunnen eigen keizer, beschenen, doch was sedert telkemale, door den haat en de nijdigheid der waarzeggeren, afgodiste Bonsen en guichelaren, beneveld en verduisterd; gelijk ten lange leste ook in JaponiŽ, van den heiligen Franciscus Xaverius zoo gelukkig bestraald, als door eenen vuilen rook en smook, uit den afgrond opwellende, onder tyran Taikozame verdonkerd; toen Karel Spinola, neef van zijnen grootdadigen grootvader, graaf Augustijn Spinola, met zijne medegenooten, vier jaren lang, onder den blauwen hemel, van koade bevrozen, van hitte gebraden, standvaatig den gloeyenden rooster van den heiligen Laurens, dien grooten martelaar, verdoofde (*). De kruisboom, voorhene van de eerste ontsluiteren der Sineesche wereld weder, met onvermoeiden arbeid, in Sina geplant, begon, onder de heerschappij van keizer Zungchin, adem te herscheppen, te bloeyen en te groeyen, en ongelijk veiliger onder dí opgaande regeeringe van den jongen Tarter; ook zulks, dat koninginnen, vorsten, de grooten van het hof, besneÍnen, mandarijnen, amptenaren, en ontelbare duizenden, de Wet van den eenigen Verlosser der menschen omhelzende, zich in het zuivere waschbad der wedergeboorte lieten baden; maar, helaas! de jonge keizer, die de waarheid in ít openbaar begenadigde, en zelf, als een herboren Conatantijn, overbodig was zich het juk des Gekruisten tí onderwerpen, ten ware het verbod van de veelheid der vrouwen hem tí onverdraagzaam scheen, komt, door gehengenis der goddelijke voorzienigbeid, welker voetstappen onnaspoorbaar zijn, ontijdig tí overlijden. De wispelturige nazaat, gelijk een ander Herodes, te licht geloovende, dat de opgang van den Europeeschen godsdienst den ondergang zijner krone voorspelde, verandert nu alle genade in onverzetbaren haat en vijandschap. Zoo worden de Katholieke Kruisgezanten plotseling overvallen en verdrukt, waarom de getrouwe arbeiders in den oogst der zielen, ter nauwernood, den wreeden klauwen der Tartarische tijgeren ontschuilen.

Tantś molis erat ROMANAM condere GENTEM. (*)

De heer van Kabau is niet ongewoon, uit den nood van godvruchtige letterhelden, de nieuwe maren, uit dí andere wereld herwaart overwaayende, te hooren, en aandachtig tí overwegen, hoe dí eeuwen door de beurten der heerschappijen, gelukkige en rampzalige tijden, gedurig ommewentelen, waarbij de voortplanters der katholieke waarheid, onder het Heidensche Afgodendom, vruchten winnen, of de hagelbuyen der vervolgingen den bloesem van hunne hope zien treffen, wanneer vromen beproefd en gelouterd, kwaden gestraft worden. Hierom docht ik mij zelven dí eer te geven, den heere Nobelaer, op te dragen dit treurspel van keizer Zungchin of den ondergang der Sineesche heerschappij, of het misschien, in schaduwe van de plantagiŽ te Hofvliet, zijne gedachten met eenige aangename bespiegelinge mocht voeden en onderhouden. Ontvang dan, weledele heer! dit tooneelwerk, hetwelk zich gelukkig schat, uwen naam en titel in het voorhoofd te voeren, terwijl ik wensche altijd te mogen blijven

Uwe weled. oodmoedige dienaar,

J. V. VONDEL.