De weg der zeven heuvels

Jacqueline E. van der Waals

Over de vrolijke heuvels
  Loop ik alleen, alleen!
De zon van louter blijdschap
  Danst over de graanvelden heen.
De lucht zij trilt van vreugde
  Waar zij de aarde ontmoet,
Iedere klaproos verheugt zich
  In haar eigen gloed!

Nu loop ik snel naar beneden,
  Dan langzaam verlangend omhoog.
De zonnestralen dansen
  En kussen de dauwdroppen droog.
Ze spelen als kleine kinders
  Verstoppertje in het groen,
En roepen de jonge vlinders,
  Toch met hen mede te doen!

En hoog aan den blauwen hemel
  Weerklinkt zulk een jublende klank,
Alsof de volheid der vreugde
  Zich uiten moest in gezang.

Als was de Geest der blijheid,
  Zwart stipje aan stralende lucht,
Jubelende in zijn vrijheid
  Der menschen aarde ontvlucht.

Hoog in het heldere licht, waar
  Het juichende stipje verdwijnt,
Als een ster onzichtbaar
  Daar het zonlicht schijnt,
Zweeft het lichter en lichter
  Verder van onze aard,
Waar het zingende dichter
  En dichter ten hemel vaart.

Daar ontving het één vonkje
  Van die zaligheid,
Waarin zich de sombere aarde
  Zoo zalig, zoo juichend verblijdt;
Daar leerde het blijde,
  't Oneindig blijde lied,
Waardoor de aarde zoo zonnig,
  Het zonlicht zoo helder ziet.

Nu rijzen en dalen de heemlen
  En de aarde met jubelgeschal,
Maar 't kleine zwarte stipje
  Verdween in 't oneindig heelal!
Opgelost en verloren
  In 't heerlijke blauw en wit!
Waarom zijn wij niet geboren
  Voor zulk een vreugde als dit!


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.