Aarde

Jacqueline E. van der Waals

Vol afschuw kijk ik naar den grond,
  Die vochtig is en vuil.
Daar kruipen de lange wormen rond,
De lange weeke wormen rond.
  En houden de maden zich schuil;
En alles wat onder de grond wordt bewaard,
  Beschimmelt en verrot.
Een duffe kelderlucht, o mijn God!
  Vervult de geheele aard.

Ook bergen de menschen in haar schoot,
  O gruwel en ergernis!
Het menschenlichaam na den dood,
Het menschenlichaam, wanneer het dood
  En vuil en afzichtelijk is;
En alles, wat onder den grond wordt bewaard,
  Ontbindt zich en verrot.
Een vunze kerkhoflicht, o, mijn God!
  Vervult de geheele aard.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.