Avondnevel

Jacqueline E. van der Waals

O, die blinkend witte nevel over de venen! de uitgestrekte,
Groote, stille nevelzee, wier waatren de aarde bedekten!

  Wij liepen des avonds tegen
Den tijd, dat de zon onderging,
  Samen op stille wegen
Door het moeras en zwegen
  Van verwondering.
  Slechts hoopjes turf en daken
  Van donkere huisjes staken
  Zwart uit den nevel omhoog.
Ze was zo stil, zoo zonderling,
  Die zee, waar niets bewoog.

O, die zwarte, grillige heuvelkust,
  Die met haar breede lijn,
Scheidde de blinkende nevelrust
  Van 't gloeiende karmijn!
  Want boven de donkere landen
  Stond vuurrood de hemel te branden
     Met onheilspellende schijn.

  Ik werd onrustig en ik zocht
  Een woord, dat de stilte verbreken mocht.
Ik keek in de zon, in het nevelmeer....
     Het zwijgen werd pijnlijk.
De avond, de aarde, mijn leven werd zeer,
  zeer onwaarschijnlijk.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.