Avondliedje

Jacqueline E. van der Waals

Nu moeten de oogjes zich sluiten,
Die ik weer open zag.
We hebben de ganschen dag
Door weiden en bosschen daar buiten
Geloopen of worden misschien
Die voetjes niet moede van 't stappen,
Die lachende lipjes van 't snappen,
Die kijkertjes niet van 't zien?

Daar buiten bij boschbes en varen
Daar heb ik je sprookjes verhaald,
Daar speelden we, dat we verdwaald,
Als Hans en Grietje waren,
Daar hebben wij beiden, verrukt,
De vlugge konijnen zien spelen;
We hebben de holle stelen
Van paardebloemen geplukt,
En heel lange slingers gemaakt
En bloemenkransjes gewonden,
Wij hebben een nestje gevonden
Maar niet aan de eitjes geraakt....

Maar nu beginnen alreê
De blinkende sterren te schijnen
Nu rusten de kleine konijnen
Op hun legersteê.
En knikkebollend staan
In 't gras de witte margrietjes
En blauwe vergeet-mij-nietjes
En willen niet slapen gaan.

Nu zingt de zorgzame wind:
"Madeliefje, mijn engeltje,
Val niet van je stengeltje,
Ga toch naar bed, mijn kind."
En slapen dan bloem en kruid,
Dan vaart de wind door de landen;
Waar paardebloemkaarsjes nog branden,
Blaast hij de lichtjes uit....

Maar nu is mijn lieveling moede
En nu moet ze slapen gaan,
Er komen nog vele goede,
Heerlijke dagen aan!
Maar nu komt er eerst een nacht,
Reeds is het donker daar buiten,
Nu moeten de oogjes zich sluiten,
Mijn kindje, slaap zacht, slaap zacht.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.