Avond op het balcon

Jacqueline E. van der Waals

Wij zagen zwijgen naar het dalen
Der langzaam ondergaande zon,
Terwijl de laatste zonnestralen
De zuilen roodden van 't balcon;
Wij ademden de zoele geuren
Van lindebloesem en van hooi
En keken naar het stil verkleuren
Van 't aardsch en van het hemelsch mooi.

Maar, toen het bloeiend licht verdorde,
En 't purper somber werd en koud,
Is ook mijn hart bedroefd geworden
En stervensmoede en stervensoud;
Nog even hield een vaag verlangen
Mijn doodsche droefheid zacht gekleurd
En als een geur, die loom blijft hangen,
Het ledig van mijn ziel doorgeurd.

En zachtkens, naar mij toegedragen
Door d'avondwind, klonk uit de vert'
Het rollen van een boerenwagen
En 't was, of daar gezongen werd;
Reeds naderden de paardehoeven
En vredig uit het stil verschiet
Vernam mijn oor het slepend droeve
Gezang van een godsdienstig lied.

De wagen kwam, toen klonk het spelen,
Waarmee de zang werd begeleid
Uit boersche manne- en vrouwekelen
Wat ruw en vol luidruchtigheid,
En eensklaps brak door de avondstonde
Een schelle lach uit vrouwemond ...
En mijn ontschoeide voeten vonden
Op aard geen plekje heil'gen grond.

Waarmede moet het zout gezouten,
Dat smakeloos geworden is? -
En hunk'rend naar het veilig kouten
Daar binnen om den avonddisch
Vroeg ik een vraag.  Mijn woorden braken
Den druk, die in de stilte lag
En pijnlijk werd, - en wij bespraken
De plannen voor den naasten dag.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.