Bergen

Jacqueline E. van der Waals

Nu zien de groote bergen op mij neder.
Ze zijn verwonderd, dat ik al zoo lang
Alleen geklommen ben, en half nieuwsgierig,
Half spelend volgt hun oog mijn tragen gang.

Nu zien de bergen goedig op mij neder,
Terwijl ik altijd verder, rusteloos
Naar boven klauter naar hun kale toppen.
Niet ongeduldig zijn ze en niet boos

Om mijn vermetelheid; ze kijken rustig
Zooals mijn oog soms spelend nederziet
Op 't trage rupsje kruipend op mijn vinger,
En doelloos zijn bewegingen bespiedt.

De goede bergen zijn nu heel voorzichtig,
Ze houden zich stil, opdat vooral
Geen steentje los zou laten waar ik klauter,
Geen steen mij treffen zoude in zijn val.

Ze houden zich heel rustig, maar ten laatste
Wanneer dat stille kijken hen verveelt,
Beginnen zij een spel, dat ik zoo dikwijls,
Het arme rupsje plagend, heb gespeeld.

Dat zag ik verder kruipen, onverdroten,
En argeloos, terwijl ik keer op keer
De eerste hand achter de tweede plaatste;
En 't plagend spel herhaalde ik telkens weer.

Zoo zie ik nu de bergen met mij spelen,
En na den top, die mij de hoogste scheen,
Zag ik nog steeds een hoogren top verrijzen,
En wat ik eerst een top dacht, was er geen.

Toch klom ik voort en laat ze met mij spelen,
Die groote bergen met hun logge kracht;
Ze meenen 't niet zoo kwaad en vol vertrouwen
Begeef ik mij weer telkens in hun macht.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.