De bladeren

Jacqueline E. van der Waals

De zonne zond haar stralen uit
   om d'aarde te vergouden,
Die, al te langen tijd verwaaid,
   verregend en ontverfd,
Niet meer aan blijde dagen dacht,
   maar aan de winterkoude
Zich zonder klagen overgaf
   en stil en willig sterft.

De stralen die op 't bladerdak
   een wijle wilden rusten,
Ze gleden door de takken heen
   en vonden vuil, versleurd,
De kleine groene bladerkens
   die zij zoo gaarne kusten
"Och, arme bruine bladerkens!
   Wat is er met U gebeurd?"

Maar nauw gevoelt het bladervolk,
   het slappe, natbetraande,
Verloren volk de warmte van
   den gouden zonnegroet,
Of knisperend en knetterend
   begint het doodgewaande
Te leven en te krullen in
   den koesterenden gloed.

Nu loopen alle blaadjes in
   het zonlicht langs de wegen,
Nu dansen zij hun rondedans
   den menschen voor den voet,
Nu ruischen zij hun vrijheidslied
   den ouden boomen tegen,
Die weten, dat het bladervolk
   zoo 't elken jare doet.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.