Boven de Aarde

Jacqueline E. van der Waals

Ik zit op een eenzamen bergtop
   Stil en rustig alleen;
Er drijven witte wolkjes
   Gestadig langs mij heen;
Hoog in de rondte verheffen
   De hoogere bergen hun top,
Daar liggen de groote wolken
   Rustig boven op.

Eens ben ik - voor uren? of dagen? -
   Alleen naar boven gegaan,
Het hart met aardsche droefheid
   En menschenleed belaan;
En zwoegende kroop ik naar boven,
   Een arm, klein menschenkind;
Mijn hart was zwaar en angstig,
   Mijn oogen door tranen verblind.

Maar dàt was in vroeger tijden;
   Nu zit ik hier o! zo stil,
Zoo ver van die vroegere wereld,
   Waaraan ik niet denken wil;
Nu voel ik mij kalm en tevreden,
   Terwijl ik bewegingloos zit,
En staar naar de grijze rotsen,
   Van boven verblindend wit.

Naar rotsen en gletschers en wolken
   In vreemde verwarring dooreen:
De rotsen - verdichte nevels,
   De rotsen - verdampte steen,
De gletscher - een weg in de wolken,
   Die nevel met nevel verbindt,
Geen grens waar de steenrots eindigt
   En de oneindige ruimte begint.

Nu sla ik mijn oog naar de diepte.
   Daar waar ik het dal eens zag,
De klokjes hoorde klinken,
   Waar vroeger de aarde lag,
Daar drijven nu grijze wolken,
   Waaruit mijn bergtop steekt,
Een stukje tastbare nevel,
   Die door de ontastbare breekt.

Eens ging ik, - nu lang reeds geleden, -
   Met droefheid en lasten bezwaard.
Ik kwam uit een andere wereld,
   Ik kwam van een menschenaard.
Nu zit ik hier kalm en tevreden
   In heerlijke eenzaamheid,
Alleen in de oneindige ruimte!
   Alleen in de eeuwigheid!


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.