Avond

Jacqueline E. van der Waals

Volgens Egyptische natuurbeschouwing

Des avonds op een heuveltop,
Peinsde ik stil en staarde
Naar Sibou, de altijd verlangende,
De altijd treurende aarde.

Hij sliep aan den voet des heuvels en zoet
Lachte hij in zijn droomen;
Hij lachte, als zou Nouit zijn vrouw,
De donkere Nouit komen....

Slank verhief zich de statige stam,
Waartegen ik droomend leunde,
Zoodat hij een der pijlers scheen,
Waarom de hemel steunde.

De hemel was een donker dak,
Bedekt met zwarte wade;
Lichtende lampen hingen daar
Aan haast onzichtbare draden.

De wolken stonden van verre, stil,
Alsof het bergen waren,
En langs hun zoom, als op zilveren stroom,
Zag ik een bootje varen.

Het manescheepje, geheel alleen,
Scheen zonder begeleider,
En zonder zeil, op den Hemelschen Nijl
Tevreden voort te glijden.

O! ware ik Thot, de manegod,
Ik zou in mijn scheepje blijven;
Het schijnt mij zoo goed, op dien glanzenden vloed
Door de donkere wolken te drijven!


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.