Gods tegenwoordigheid

Jacqueline E. van der Waals

Wanneer ik mij, o Alomtegenwoordige, het meest Uw
  tegenwoordigheid bewust was,
En ik U om en in mij wist, Gij, die het groot heelal
  met Uwe tegenwoordigheid vervult -
In Uw bijzijn, mijn God, bezat ik U het minst.

Doch, wanneer ik Uw afzijn gevoelde als dat van een
  verren vriend,
En mijn liefde en verlangen naar U uitgingen om Uw
  zoekende liefde te ontmoeten,
Tot het mij werd, o mijn Beminde, of onder de tallooze
  scharen, die Gij liefhebt, geen ziel zoo begenadigd
  ware door Uwe goddelijke min,
En gij de gansche creatuur rondom vergeten hadt,
  om U alleen tot mij te keeren -
Zoo gevoelde ik mij, o mijn God, het gelukkigst in
  Uw liefde.

Is het mogelijk, U nog volmaakter te bezitten?
In Uw tegenwoordigheid te treden en niet de oogen
  met de handen te verhullen, waar zelfs de heilige
  engelen zich met vleugelen het aanschijn dekken
  voor U, o aller glansen Majesteit?
Moet niet, wie God ziet, sterven?
Zoo laat mij sterven, mijn God, wanneer heb ik ooit
  naar Uw eeuwige zaligheid gevraagd?


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.