Het klavertje van vieren

Jacqueline E. van der Waalspagina

Even vóór haar vertrek was ze afscheid gaan nemen op de naastbijgelegen boerenhoeve, en, omdat het gras nu onderwijl wel droog zou zijn geworden, had ze in het teruggaan haar weg door het weiland genomen, waardoor ze een heel eind grindweg afsnijden kon.

En plotseling, toen ze daar door de weiden liep, was er een vogel vlak in haar nabijheid opgevlogen, die onder het vliegen een eigenaardig, schril getjilp had doen horen. Ze had daarbij dadelijk aan de leeuwerik gedacht; niet, omdat ze het geluid zo bijzonder mooi had gevonden, maar omdat de leeuwerik immers de enige vogel is die onder het omhoog stijgen zingt. Maar al heel gauw had ze begrepen, dat het toch natuurlijk wel geen leeuwerik zijn zou...

Evenwel, ze was het geluid blijven volgen met haar blikken, terwijl het daar al hoger en hoger steeg, en toen het nu eindelijk midden uit de blauwe lucht, de gehele hemel met gejubel scheen te vullen, begon ze te vermoeden dat het toch misschien wel een leeuwerik zou kunnen zijn...

En zie, terwijl ze zo over dat kleine zwarte stipje liep te peinzen, dat daar hoog boven haar hoofd in het diepe blauw hing te zingen, en geen ogenblik dacht aan de kleine plantjes voor haar voeten, - juist op dàt ogenblik had ze zich plotseling gebukt om een klavertje van vieren te plukken.

Nu hield ze het in de hand. Ze keer er naar en betastte de blaadjes met een lachje van half ongelovige verbazing. De grond stond immers vol van die kleine ronde klaverblaadjes die onder elkaar en boven elkaar, elkaar stonden te verdringen tussen het gras, zodat het van boven gezien, welhaast onmogelijk scheen uit te maken, welke drie blaadjes telkens bijeen hoorden. Hoe dan was het mogelijk geweest, onder al die plantjes juist dit éne te ontdekken? Hoe had ze geweten, dat dit viertal blaadjes aan één enkel stengeltje was gegroeid?

Een klavertje van vieren zó gevonden, zó onverwacht, zó ongezocht, bracht geluk. Haar ogen straalden, het bleke gezichtje bloosde van genot...

Na een winter van ziekte en gesukkel had de dokter haar vroeg in het voorjaar naar buiten gestuurd om weer wat op krachten te komen. Drie weken was ze nu bij tante op de boerderij geweest, maar ze had al die tijd gevonden, dat de mensen in de stad de heerlijkheid der natuur en het genot van het landleven geducht overdrijven konden. Eindeloze groene weiden met of zonder koeien, en hier en daar een boerenhoeve met wat bomen en wat moesland er om heen...

Nee, ze had het buiten helemaal zo mooi niet gevonden als ze zich dat in de stad had voorgesteld...

Maar vanmiddag ging ze weer naar huis terug.

Ach ze had eigenlijk al die tijd naar de stad terug verlangd! Dat gevoelde ze eerst nú aan dat omstuimige gevoel van vreugde bij de gedachte, dat moeder zo straks aan de trein zou staan en dat ze tezamen door de straten naar huis zouden wandelen. Ja, die middag zou ze weer thuis zijn, weer met de anderen aan tafel zitten... Ze kon haast afgunstig worden op ieder woord, dat ze in haar afwezigheid tot elkaar gesproken hadden, ieder grapje waarover ze samen gelachen hadden, zonder haar...

Bijna begon ze te schreien, toen ze daaraan dacht.

Maar dat kwam er dan ook van, dat ze haar in haar ziekte zo verwend hadden. Nu kon ze op haar zestiende jaar nog geen drie weken van huis zonder heimwee te krijgen. Het was dwaas en kinderachtig. Ze zou er thuis maar niet over spreken. Ze zouden anders nog denken, dat ze zich bij tante ongelukkig had gevoeld en dat had ze toch niet... alleen maar...

Ze leunde even tegen het hek, omdat ze zich wat moe gevoelde na haar wandeling. De voorjaarslucht maakte loom. Of was het het licht, dat haar vermoeide? Of haar vreugde? Even sloot ze de ogen... Maar hoor dan toch! Hoog boven haar hoofd zong er nog immer de leeuwerik, zo luid, zo aanhoudend, dat de tranen haar in de ogen kwamen.

Ja zó, dacht ze, kon toch alleen de leeuwerik zingen!


Thuis in de eerste vreugde van het weerzien had ze voor een poosje haar moeheid vergeten, maar aan tafel at ze weinig en die avond voelde ze zich ziek.

Het bleek de oude ziekte, die terug gekomen was.

Dat vond ze verdrietig. Niet, omdat ze zich ongerust over zichzelf zou maken, maar ze was wat teleurgesteld, dat het beloofde geluk zich nu wachten liet en met een zucht dacht ze aan haar klavertje, dat ze in haar kerkboekje gelegd had, met het vage gevoel, dat het daar het veiligst bewaard zou zijn.

De weken verliepen en de koorts verminderde, maar de krachten kwamen niet weerom. Ach, moeder had het al dadelijk begrepen, toen ze haar kind zo bleek en moe terugkreeg en de dokter had het ook moeten bevestigen, dat van deze ziekte geen herstel meer te hopen viel.

En toen ze daar nu maar week op week lag te wachten op beterschap, die toch nooit komen zou, en ze toch zelf wel moest voelen, dat ze eer achteruit dan vooruit ging, besloten ze ten slotte het haar maar te vertellen, wat de dokter gezegd had... wat ze ook zelf al wel begrepen hebben moest...

In het begin, toen ze het hoorde en ze de anderen zo bedroefd zag, was ze ook een beetje bedroefd geworden en stil had ze liggen schreien met moeders hand in de hare; maar verbaasd of ernstig ontrust had die mededeling haar toch niet. Het was haar, alsof ze het al heel lang geweten hebben moest, en ze het alleen daarom nog niet had aangenomen, omdat ze, gewoon de de morgen te laten zorgen voor zijn eigen kwaad, geen behoefte had gevoeld, zich over dat kwaad voorbarig te verontrusten.

Maar nu was het haar met duidelijke woorden gezegd en nu moest ze het wel aannemen. En ze nam het ook aan - doch niet als werkelijkheid maar als een zoete weemoedige droom van zachte tederheid en troetelende zorg.

En in de hartelijke belangstelling van buren en kennissen, in de eerbiedige schroom, waarmee de broertjes en vriendinnetjes haar naderden, in de zachte klank van vaders zware stem, voelde ze enkel, dat het zoet was, zo ontzien en verwend te worden.

maar nu en dan toch kon de betekenis van dat alles haar wel eens voor een ogenblik benauwen en ze dacht aan haar klavertje, waarvan de belofte in zo lijnrechte strijd was met de zekerheid, die de dokter haar gegeven had, en ze vroeg zich af in vage benieuwdheid, hoe het zich thans redden zou uit de moeilijkheid, waarin het was geraakt. Want, zo het al niet in haar opkwam, de woorden van de dokter in twijfel te trekken, evenmin gaf ze haar hoop op en haar geloof in 't beloofde geluk.

Maar eens op een nacht gebeurde het, dat ze droomde, een wonderlijk duidelijke droom.

Ze dacht, dat ze buiten was en alleen door de weiden liep. Het was het weiland bij tantes huis, waar ze die morgen had gelopen, vóór ze ziek werd. Maar alles was nu anders geworden. Nergens was iets van bomen of huizen te zien. Een fijne, ijle nevel, zoals ze die eens op een vroege morgen over de aarde had zien glanzen, vulde de verten, waar de weiden zich uitstrekten tot de horizon. Er was iets vreemds in het licht, dat als een glanzende droefheid de nevels doorscheen en de lucht vervulde tot hoog in het blauw, waar de leeuwerik zong. En hoor! Ook in het leeuwerikenlied klonk die vreemde, stille treurigheid als om iets onherroepelijks, dat gebeuren ging. In haar hand hield ze het klavertje van vieren. Het lopen viel haar zwaar, alsof ze pas van een zware ziekte hersteld was, maar toch liep ze voort, al maar voort en ze wist niet, noch vroeg er naar, noch behoefde te weten, waarheen ze op weg was...

In de verte zag ze een hek, dat voor haar openstond, het was het hek, waartegen ze die laatste morgen geleund had, toen ze ook zo moe was geweest en zo gelukkig. Ze herkende nu de gehele omgeving weer: de sloot, de braamstruiken, de grindweg, die langs het weiland liep. Er kwam een rijtuig aangereden langs die weg. Het naderde snel, nu hielden de paarden stil voor het hek juist op het ogenblik, dat ook zij de weg bereikt had. En zonder aarzelen nam ze haar klaverblaadje en liep er mee op het rijtuig toe en ze wist in haar droom dat het alles juist zo had moeten gebeuren.

En de dame die in het rijtuig zat - het was de koningin - bukte zich om het klavertje van haar aan te nemen, en glimlachte... en het rijtuig reed verder...

En ze stond weer alleen in de droefheid van haar droom en ze had wel kunnen schreien van vreugde, omdat nu immers alles was, zoals het zijn moest...

En hoor, hoog boven haar hoofd in het stille licht zong luid en aanhoudend de leeuwerik. Zulk een vreugde, dacht ze, had ze nog nimmer gehoord. Ze voelde zich als opgenomen en geborgen in de grote vreugde van dat geluid.


De volgende morgen, toen ze wakker werd en het haar te binnen schoot, wat ze die nacht gedaan had, schreide ze even, omdat ze nu wist, dat de dokter gelijk had. En voor het eerst geloofde ze het nu ook. Maar ze voelde daarin geen teleurstelling of bitterheid of strijd, niets dan een grote kalmte, dat ze het nu eindelijk aanvaarden mocht, aanvaarden kon.

De morgen had gebracht, wat hij brengen moest en zie, het wàs geen kwaad - het was rust, het was de verlossing van een angst, die ze zichzelf niet bewust was geweest. Maar nú was alles goed geworden. Haar geloof had ze in veiligheid gebracht, daar waar het niet kon worden beproefd... het beloofde geluk gaf ze op, opdat de belofte niet zou falen, haar vertrouwen niet te schande mocht worden... Ander kwaad kende ze en vreesde ze die morgen niet.

En toen - in haar behoefte die wonderbare droomvrede vast te houden en tot een blijvende werkelijkheid te maken - begon ze zich voor te stellen dat ze de daad deed, die haar droom haar had getoond: en ze dacht dat ze het klavertje nam en het in een couvert sloot en het zond aan de koningin. Ze lag zich de brief in te denken, die ze daarbij schrijven zou...

`U zult wel verwonderd zijn,' zou ze beginnen, `een brief van mij te ontvangen en misschien niet begrijpen, wat het klaverblaadje betekent, dat u hier boven mijn brief ziet. Maar het is een klavertje van vieren, dat ik zelf gevonden heb en dat breng geluk, zoals u weet. En omdat ik nu heel erg ziek ben en niet meer beter zal worden en dus ook geen geluk meer nodig heb, zend ik het maar aan u, en ik hoop, dat het u geluk zal aanbrengen. En nu zou ik heel graag willen, dat u het van mij zoudt willen aannemen...'

Zo ongeveer zou ze schrijven, dacht ze.

En dan stelde ze zich voor, hoe de koningin die brief ontvangen en lezen zou, en hoe ze het klaverblaadje in een boek zou leggen, waarin ze dikwijls las, en hoe dan later, veel later, als zijzelf reeds lang gestorven was, de koningin het boek misschien weer eens ter hand zou nemen en het klavertje vinden en denken zou aan haar, die het haar gegeven had...

Of ze dacht aan het antwoord, dat ze op haar brief zou ontvangen, een paar regels misschien maar, misschien niet eens eigenhandig geschreven... maar de koningin had dan toch aan haar gedacht, ze kende haar naam en het zou dan toch een boodschap zijn van de koningin aan haar persoonlijk! Was dat al niet wonderlijk genoeg? En allen thuis zou ze het antwoord laten lezen en de vriendinnetjes zouden komen om te horen, wat de koningin haar te zeggen had - en allemaal zouden ze haar geluk benijden - allemaal!

Gedurende de dagen die nu volgden, als moeder in het keukentje bezig was, lag ze zich telkens en telkens weer te verdiepen in haar droom, en altijd weer herhaalde ze de woorden van de brief, die ze aan de koningin schrijven wilde tot ze die woord voor woord uit het hoofd kende. En ten slotte vond ze ook niets ongewoons meer in de gedachte.

Het sprak immers vanzelf, dat ze de brief schrijven moest, zodra de dokter het haar toestond? En eens, toen ze even mocht opzitten, schreef ze de brief.


En nu had ze zich heel gelukkig moeten voelen, nu eindelijk haar droom tot werkelijkheid was geworden. Maar nauwelijks was de brief verzonden, of ze voelde zich wonderlijk bezwaard en toen ze zich die avond, als naar gewoonte, lag in te denken, hoe de koningin de brief ontvangen en lezen zou, was er voor het eerst geen vreugde in die gedachte. Het was haar, alsof ze iets heel doms en verkeerds gedaan had.

Ze kon zich dan ook volstrekt niet meer begrijpen, waarom ze eigenlijk de brief geschreven had? Had ze dan in ernst gemeend, dat een klavertje van vieren geluk aanbrengt? Ach, ze wist immers wel beter! Maar ze had gedacht, dat God... neen, God had haar niets beloofd...

Zou de koningin de brief nu al ontvangen hebben? Hem nu misschien juist lezen? Maar hoe toch had zij, zij, die niet eens in ernst aan haar klavertje geloofd had, anderen durven betrekken in haar bijgelovig spel? Wat moest de koningin wel van haar denken?

Een brandende blos steeg in haar wangen op. Ze voelde nu eerst, hoe indringerig en onbescheiden ze geweest was... En toch...?

En toch, als ze de brief nu eens niet geschreven had, als het klaverblaadje nog rustig in haar kerkboekje lag, als de daad nog ongedaan was? Neen, het berouwde haar niet, wat ze gedaan had. Ze had zo moeten handelen... ter wille van haar droom... ter wille van het klavertje, dat ze liefhad... ter wille van dier belofte, die niet beschaamd mocht worden...

Maar wie toch, wie had haar iets beloofd?...

Het was een wonderlijke verwarring van geloof en ongeloof, van schaamte over haar daad en zekerheid, dat ze niet anders had kunnen handelen - Maar dìt gegreep ze, de koningin zou niet antwoorden, kon niet antwoorden op zulk een brief.

Nee, de koningin liet ook werkelijk niets van zich horen.

In het begin, als moeder de kamer binnenkwam, had ze telkens schielijk opgekeken, half verlangend, half bevreesd. Maar de dagen gingen voorbij... Toen werd ze rustiger. Misschien was de brief wel verloren gegaan, troostte ze zichzelf, of terzijde gelegd en vergeten. Dan behoefde ze nooit meer iets van haar dwaasheid te horen. Ze had zich vergist en de teleurstelling kon ze dragen. Als nu de anderen ook maar zwijgen wilden over de zaak, waarover ze zoveel mogelijk vermeed te denken en te spreken.

Maar thuis zwegen ze niet, ze konden dan ook niet weten, hoe pijnlijk het onderwerp was, en in haar voortdurende angst, voor hun vragen, werd ze schuw en bang voor gezelschap. Vaak nu, als moeder bij haar bed kwam, sloot ze de ogen en deed ze, of ze sliep.

Moeder zag wel, hoe stil en bedrukt ze was, en ze begreep, dat het in verband moest staan met het antwoord, dat uitbleef. Dat vond ze verdrietig, dat haar kind zich daar nu zo onnodig ongelukkig lag te maken en lag te verlangen naar een brief, die misschien nooit komen zou. Ze besloot ahar een beetje op de mogelijkheid voor te bereiden.

Ze moest zich over die brief niet ongelukkig maken, begon ze.

`Nee,' glimlachte het kind.

Het kon best wezen, dat de koningin geen tijd had, om te antwoorden - ze had zoveel belangrijker dingen om voor te zorgen. Maar al kwam er nu ook helemaal geen antwoord, dan behoefde ze daarom nog bang te zijn, dat het klavertje niet terecht gekomen was. Brieven aan de koningin kwamen altijd terecht.

Maar daar was ze ook heus niet bang voor...

Moeder weifelde, de verzekering klonk oprecht, en toch...


`Je begrijpt zeker wel, wie mij gezonden heeft?'

Ze kleurde hevig bij die vraag. Nee? De koningin kon het natuurlijk niet zijn, maar wie dan anders?

Ze bleef de vreemde dame, die bij haar bed zat, aanstaren met grote angstig vragende ogen.

`Maar je hebt toch immers een brief aan de koningin geschreven?'

`Ja?'

`Nu dan. En nu kom ik je haar groeten overbrengen en haar dank voor het klavertje van vieren, dat je haar gezonden hebt.'

Haar dank voor het klavertje van vieren? Maar dan was dus alles in orde? Dan had ze zich voor niets zo ongelukkig gemaakt? Maar wat was ze dan toch dom geweest, zich zo bezorgd te maken! Natuurlijk was de koningin niet boos over haar brief... waarom zou ze ook? Ze voelde zich duizelig door de spanning der laatste weken en met een vaag glimlachje om haar eigen dwaze angst, die ze nu niet meer begrijpen kon, lag ze te luisteren, naar hetgeen de bezoekster verder te vertellen had.

Ja, de koningin had de brief ontvangen en ze was heel blij met haar geluksblaadje geweest. En omdat ze zo graag wat meer van die lieve geefster wilde weten had ze haar nu opgedragen eens kennis te gaan maken. En nu moest de zieke haar maar eens een heleboel vertellen van zichzelf en van het klaverblaadje en van haar ziekte en hoe ze eerst op de gedachte was gekomen het klavertje weg te geven en de brief te schrijven.

En het kind begon te vertellen. Ze vertelde met gloeiende wangen en ogen, die schitterden en schreiden tegelijk. En het scheen haar in de gloed harer opwinding, alsof ze bij dat alles, alleen maar aan de koningin had gedacht, van wie ze zoveel hield, van ze allemaal op school zoveel gehouden hadden. En ze vertelde van het vinden van haar klavertje, en van haar ziekte en van haar droom en van haar angst, dat de koningin haar brief onbescheiden had gevonden. Maar nu was alles weer goed. En ze was toch zó blij, dat de koningin het klavertje aangenomen had. `Het zal haar zeker geluk brengen,' sprak ze vol overtuiging. `Een klavertje van vieren, weet u, brengt altijd geluk.'

Maar toen moest de bezoekster afscheid nemen. Ze zou spoedig terugkomen, beloofde ze, zodra ze weer iets van de koningin gehoord had.


En de dame kwam terug, want de koningin had geld gezonden voor vruchten, en versterkende middelen, - en ze kwam meermalen terug, want de koningin had gevraagd vooral op de hoogte te worden gehouden van de toestand der zieke. Ja eens zelfs, toen het bericht wat langer dan gewoonlijk uitbleef, omdat er zo weinig verandering in die toestand kwam, had de koningin laten vragen, waarom ze in zo lang niets gehoord had.

Dat alles was nu heel merkwaardig, vonden de buren en vriendinnen en dadelijk, als de dame vertrokken was, kwamen ze binnen om te horen, wat deze gezegd had, en ook zij voelden zich trots en gelukkig in de belangstelling der koningin; het was of ook iets der koningin glorie op hen afstraalde. En dan, als ze allen vertrokken waren, lag het kind moe en verrukt naar het portretje der koningin te kijken en een lachje van geluk speelde om haar lippen. Het was immers alles haast te wonderlijk om waar te kunnen zijn...


Of ze het prettig zou vinden, naar buiten te gaan?

Naar buiten? Heel de heerlijkheid van die lentemorgen, nee, de veel groter heerlijkheid van haar droom was voor haar opgeglansd bij dat éne woord.

`Ja?' vroeg ze verrast.

De koningin namelijk had laten vragen, of er nog niet iets was, waarmee ze de zieke genoegen kon doen. En toen, in overleg met de dokter, hadden ze bedacht, haar uit de benauwde stadslucht der achterbuurt naar buiten te brengen, naar de dennenbossen, waar de lucht zacht en geurig en zuiver zijn zou, waar het ademhalen gemakkelijker viel. Zou ze dat prettig vinden?

Natuurlijk zou ze het prettig vinden, al was het alleen maar uit vreugde en dankbaarheid, dat haar zo iets aangeboden werd.

Nee, ze moest nu niet overhaast beslissen, betoogde de bezoekster. Ze moest het zich eerst eens ernstig overdenken. Moeder ging natuurlijk niet mee, ze kon de broertjes toch niet alleen laten? Maar de kon wilde haar een verpleegster meegeven en moeder zou iedere week komen om te zien, hoe ze het maakte. Nee, ze moest het nu maar eerst eens rustig met moeder bepraten, en dan moest ze haar maar melden, zodra ze haar besluit genomen had.

De koningin had uitdrukkelijk bepaald, dat ze nergens toe gedwongen of overgehaald mocht worden.

De ziek nam dankbaar het vriendelijk aanbod aan, luidde het antwoord de volgende dag.


Als een deftige dame lag ze in haar ligstoel. Boven haar hoofd ruisten de dennen, om haar heen geurde de bloeiende hei. Dromerig staarde ze voor zich uit.

Een plekje blauwe lucht scheen dieper van kleur tegen het donkere groen der dennennaalden.

Haar ogen vulden zich met tranen. Ze kon het heus niet helpen, dat ze schreien moest.

De zuster keek op van haar handwerkje en zag het.

`Wat is er?' vroeg ze verwonderd. `Je moet nu niet droevig of ongelukkig worden.'

`Nee,' knikte het kind.

`Denk er maar eens aan, dat moeder vanmiddag komt, dan zullen die tranen wel verdwijnen.'

Ze glimlachte door haar tranen heen.

`Ik ben ook niet ongelukkig,' zei ze, `ik... ik verlangde maar een beetje, geloof ik.'

`Naar moeder?'

`Ja...' klonk het weifelend.

`Maar daar behoef je toch niet om te huilen? Moeder komt immers zo straks?'

`Ja,' knikte zw weer en ze begon zachtjes te snikken.

`Maar wat is er dan toch? Kun je het mij niet vertellen?'

Ze knikte van nee. Er was immers niets, - maar ach, ze kon het heus niet helpen dat ze schreien moest, ze was ook zo moe... Even sloot ze de ogen.

En ja, daar was het weer, het fris groene weiland en het wonderlijk glanzende licht, en de leeuwerik, die zong en zong tot het alles één werd, het geluid en het licht en haar droefheid...

`Kun je me niet zeggen wat je zo bedroefd maakt?' vroeg zacht de verpleegster.

De stem kwam van verre, ze merkte, dat ze even was ingedommeld.

`Ik ben niet bedroefd,' antwoordde ze, `ik verlangde maar wat... naar buiten geloof ik.'

`Naar buiten?'

`Ja, of... misschien wel naar huis.'

Ze sprak dromerig, als waren haar gedachten zó ver weg, dat haar woorden ze niet bereiken konden.

`Ik geloof, dat ik er daar dichter bij was,' sprak ze vaag.

De zuster begreep niet, wat ze bedoelde.

`Je moet het straks maar eens alles aan moeder vertellen,' vond ze. `En als je dan graag naar huis wilt, zeggen we dat aan de dokter en dan neemt moeder je weer mee.'

`Ja,' sprak ze zacht, ze keek weifelend op. `U moet niet denken,' zei ze, `dat ik het hier niet prettig vind...'

Nee, dat begreep de zuster best, het was alleen maar wat heimwee.

`Ja,' verontschuldigde zich het kind, `ik heb nooit goed van huis gekund.'


En nu was ze weer thuis.

Het was niets dan heimwee geweest, dat vage, schreiende verlangen. Nu was alles weer goed. Ze verlangde niet meer. Zo korte tijd met moeders hand in de hare kon ze nog wel wachten... Ze had weinig pijn, maar altijd was ze moe en dikwijls heel erg benauwd. Maar als de aanval dan weer voorbij was, en moeder zat naast haar bed, dan voelde ze het weer als een groot zonnig geluk, hoe wonderbaar haar leven geweest was. Vaak lag ze stil naar het portretje der koningin te kijken. `En wilt u haar zeggen,' vroeg ze eens, `dat ik heel blij ben, dat ik haar indertijd het klavertje gegeven heb?'

`Indertijd' - het lag alles zo ver achter haar, de dag, dat ze haar geluk had gevonden en de dag, dat ze gemeend had, er afstand van te doen.

Het was winter, toen ze stierf.

De ouders hadden natuurlijk dadelijk bericht aan de koningin gezonden, en deze zond een krans, een grote witte grafkrans.

En die krans van de koningin moesten ze nu natuurlijk allen komen zien, de vrienden en buren en belangstellenden. Op de lijkkist was hij neergelegd naast het portretje der koningin. Ook de vriendinnetjes kwamen de krans bewonderen en ze voelden de plechtige nabijheid van de dood maar ze voelden ook wel een heel klein beetje afgunst: zo'n grote krans voor één klein klaverblaadje...

Maar het was dan ook een klavertje van vieren geweest, en dat breng immers altijd geluk aan wie het vindt?

Ja, maar men mag er niet naar gezocht hebben - en men mag zelfs niet zoeken, het geluk te behouden.

Het is er mee als met alle dingen, die het begeren en bezitten waard zijn. Wie het vindt, die zal het verliezen, wie het verloren hebben om Gods wil, die zal het vinden en het bewaren tot het eeuwige leven.



Onze Eeuw X (1910), 2

[Jacqueline E. van der Waals pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.