Liedje

Jacqueline E. van der Waals

Ik heb bij een korenveld gestaan.
   Ik heb de handen uitgestrekt
Naar het goud van het golvende graan.
O! dat ik die vreugde grijpen kon
Van het golvende graan in de gouden zon!
   Ik heb de handen uitgestrekt
   Naar de vreugd van het gouden graan.

Ik heb in het blanke maanlicht gestaan.
   Ik hief verlangende blikken omhoog
Naar den glans van de zilveren maan.
Ik hief het smeekende aangezicht
Naar de stille rust van het manelicht.
   O! dat ik den vrede grijpen kon
   Van die rustig stralende maan.

Ik hoorde des avonds den nachtegaal slaan.
   Ik strekte de dorstige lippen uit
Naar de klanken, die stervend vergaan,
Naar de golvende stroomen van jublenden klank,
Naar den zoeten weemoedigen liefdezang.
  O! dat ik de weelde drinken kon
  Der klanken, die stervend vergaan!


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.