Liefde

Jacqueline E. van der Waals

Meen, zoo ik zing, vol liefde zijn mijn zangen,
Niet, dat mijn mond de schamelheid vergat
Van 't hart, dat open stond om vreugd te ontvangen,
Maar, waar de liefde nimmer binnentrad;
Mijn lied is immers vol van uw verlangen,
O Liefde, die ik steeds heb liefgehad!

Waart gij gekomen, toen ik u verwachtte,
Ik had met diepe vreugde u ingeleid,
Waar in het heiligdom van mijn gedachten
Ik reeds vol schroom uw komen had verbeid; -
Nu fluistert mijn verlangen uwen zachten,
Lieflijken naam met groote teederheid.

O Liefde!  Zalig zij, die u ontberen,
En hunkren naar de troost van uw gelaat,
Zoo ze in hun nood zich niet tot de aarde keeren,
En vragen 't aardsche brood, dat niet verzaadt,
Wier ziel zich aan den disch van uw begeeren
Den honger stilt, den heeten dorst verslaat.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.