Meimorgen

Jacqueline E. van der Waals

Hoe ligt de aarde nu zoo blij
In stille voorjaarsvreugd,
Zoo vredig, als verheugde zij
Zich in haar eigen deugd.

De witte wolken glijden in
Het hemelblauw en doen
Hun schaduw zachtkens weiden in
Het gouddoorspikkeld groen.

Het gladgestreken water, dat
Het blauwe luchtgewelf
Weerkaatst, zoo effen en zoo glad,
Als 't blauw des hemels zelf,

Het vee, dat in de weiden graast,
De kleine boerenhof,
Roodstralend door het gelig waas
Van versch ontsproten lof,

De sneeuwig witte appelboom,
Die in het bruidsgewaad,
Een blijde Meiereinheidsdroom,
verrukt te blozen staat,

De boterbloemen op den grond,
De gouden waterkant,
Het is of alles slechts bestond
Tot sieraad van het land

Maar hemelblauw en dakenrood
En 't vee en 't groene gras,
En 't stille water in den sloot
En bloem en boomgewas,

En alles, dat zoo wonderbaar
Mijn hart ontroeren doet,
Weet zelve niet, noch vraagt er naar,
Of 't lieflijk is en goed.

Zoo dan dat schoon zichzelve niet
Verheugt - waartoe ontstaan
In 't hart, dat vrede en vreugde ziet,
En heeft geen deel daar aan?


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.