Melancolia

Jacqueline E. van der Waals

Toen ik door het maanlicht liep
  En de paden meed,
Bang, dat ik den tuin, die sliep,
  Wakkerschrikken deed

Door het ritselend gerucht
  Van mijn kleed en voet -
De oude boomen! die een zucht
  Wakkerschrikken doet.

Toen ik naar den vijver ging
  Door het korte gras,
Naar den boom die overhing
  In den vijverplas,

Waar het water inkt geleek,
  En zo roerloos sliep,
Of het oog in 't duister keek
  Van een peilloos diep,

Waar het windgefluister klonk
  Door het popelblad...
Weet gij, wie op d' elzentronk
  Mij te wachten zat?

Vleermuisvleugelige vrouw,
  Die mij eeuwig jong,
't Eeuwig oude lied van rouw
  Vaak te voren zong,

Tot ik in den maneschijn
  Zacht heb meegeschreid
Met het eeuwenoud refrein:
  "Alles ijdelheid."

Hebt ge hier op mij gewacht,
  Denkend, dat ik sliep?
Hebt gij zóó aan mij gedacht,
  Dat uw geest mij riep,

Dat ik staan kwam aan het raam
  En onrustig werd
Door het roepen van mijn naam
  Uit de lichte vert'?....

Toen ik u hier wachten vond
  En met stillen schrik
In den peilloos diepen grond
  Staarde van uw blik,

Toen ik zwijgend binnentrad
  En in zwarte schauw
Uwer vleuglen nederzat,
  Zwartgewiekte vrouw,

Heb ik, met uw hoofd gevleid,
  Liefste aan mijn hart,
Zachtkens met u meê geschreid
  Om der dingen ijdelheid
  Om onze oude smart.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.