Noortje Velt

Jacqueline E. van der Waalspagina

V

[Deel IV]

Nora leefde op Ekedal en ze voelde zich zeer gelukkig en zeer op haar plaats in haar nieuwe omgeving. De smart was bezonken en de wateren der vreugde speelden weer tevreden daarover heen - de bron van licht, die in haar was, begon uit te stralen over Esdorp, over Ekedal, over alles, wat Nora omgaf.

Ze ging nu geregeld met haar nichtjes naar de stad, waar ze les nam in moderne talen en kunstgeschiedenis, in dansen, handwerken en muziek en ze leerde bloemen tekenen op papier en porselein, een bezigheid, waarvoor ze buitengewone bekwaamheid bleek te bezitten.

Ook wandelde en tenniste Noortje en reeds 's winters schaatsen met Jaap en zijn vrienden. - Nora had werkelijk een heel gelukkige jeugd!

Nog wat minder dan vroeger, toen ze Emy nog had, toonde ze, wat in haar omging, nog wat volkomener ging ze op in een eigen wereld van dromen en verbeeldingen, leefde ze in haar spel, dat ze nu alleen speelde en zonder speelgoed; maar daardoor verloor het niets van zijn aantrekkelijkheid - integendeel.

Haar wensen en behoeften vervormden zich naar de omstandigheden; ze vroeg nu geen vertrouwen en gaf geen vertrouwen en voelde zich heel gelukkig zonder dat-.

Ja, ze vond het eigenlijk wel prettig, dat knusjes geheimpje spelen met zich zelf, en de gedachte, dat ze ooit iets van haar spel aan haar omgeving zou tonen, dat ze ooit intiem zou spreken over het geen wel ernst in haar was, over dat allerheiligste heiligdom in haar leven, waar nooit iemand vreemds was binnengetreden, - ook Emy niet - waar haar eigen gedachten niets dan bevende dorsten naderen, scheen haar weldra zo absurd, zo volkomen onmogelijk, dat het haar - waar het bovenal de aanraking was, die ze vreesde, niet het kenbaar, het zichtbaar worden voor vreemden, die te ver af stonden om haar pijn te kunnen doen - lichter zou zijn gevallen, haar intiemste gevoelens in de stad op de grote markt te gaan uitroepen - wat uit de aard der zaak een zoveel minder intiem, vertrouwelijk karakter zou hebben gedragen - dan ze toe te fluisteren aan Elly of Marie.

Aan die mogelijkheid zich te uiten zou ze dan ook, onbewust van haar eenzaamheid, zelfs niet gedacht hebben, indien ze niet telkens in tantes ontevredenheid haar geslotenheid als een tekortkoming, als gebrek aan hartelijkheid had gevoeld.

In het begin wel had ze gepoogd, door een drukke correspondentie de intimiteit met Emy te bewaren. Lange brieven schreef ze, vol van alle pretjes en picknicks en tennis-matches, van de nieuwe kennissen, die ze in Esdorp maakte, en Emy die die zomer op reis was, schreef opgewonden brieven over Zwitserland en de bergen en de gletsjers en de afgronden - maar Nora voelde, hoe ze beiden schreven over dingen, waarin de ander niet volkomen delen kon. En dat gevoel van vervreemding, dat gevoel, dat ze elkander wel heel lange brieven konden schrijven, maar, dat ze elkaar toch eigenlijk niets te zeggen hadden, werd sterker, naarmate Noortje zich dieper verloor in nieuwe verbeeldingen, die Emy niet had zien worden en waarover Nora nooit schreef, omdat ze niet in de termen vielen, vermeld te worden in een brief.

Ook aan Jan en Henri had ze nu en dan geschreven en de jongens hadden dan met onhandige kinderbriefjes geantwoord, en als ze dan soms in de vakantie op Ekedal kwamen logeren, had Noortje wel met verlangen naar ze uitgezien, had ze wel genoten van hun nabijheid, maar behoefte aan vertrouwelijkheid had ze nooit ondervonden. Henri was ook immers nog zo'n kind! En Jan... Jan was al zo'n grote jongen... hij zou zo verbaasd zijn geweest over vertrouwelijkheid...

In het begin ook als ze zich soms wat buitengesloten begon te gevoelen, had ze wel eens getracht, de confidenties van haar nichtjes, niet alleen te ontvangen, maar ook te beantwoorden - maar dan had ze aldoor gevoeld, hoe zij met haar spel niet op kon tegen de werkelijkheid van haar nichtjes, hoe ze tegenover die ernst niets dan dwaasheid had te stellen, hoe ze eigenlijk niets te zeggen hàd. En als Elly en Marie haar dan in diep geheim vertelden van aan taartjes versnoept zakgeld, van in bed gelezen, verboden boeken, van briefjes, die haast ontdekt waren, van geheime wandelingen met vriendjes in de stad; als Marie snikkend klaagde over ontrouw bij haar minnaars, over verraad bij haar vriendinnen - want Marie, minder kritisch dan Nora nàm haar droomwereld voor werkelijkheid, haar spel voor ernst - dan zweeg Nora verlegen stil, verward door een opvatting, een waardering der dingen, zo lijnrecht tegenovergesteld aan de hare.

Nora zweeg dus en speelde en zo spelende ging de tijd voorbij.

Ze was nu achttien jaar en slechts weinig kleiner dan haar nichtje Elly, die ze vroeger altijd om haar lengte benijd had. - Haar figuurtje was lenig en slank met kalm energieke bewegingen, haar gezichtje regelmatig - te bleek en te klein om veel indruk te maken - maar pittig en levendig als ze sprak. Rustig-kalme verstandelijkheid lag om de grote, prettig gevormde mond met het even-ironisch trekje in de mondhoeken, in de heldere blauw-grijze ogen, koel en klaar als water - de open verstands ogen der Velts, niet de diep-blauwe, dwepende dichterogen der Merlins!

Ze stond in de huiskamer, leunende tegen de vensterbank, de vinger tussen de bladen van het dichtgeslagen boek, waarin ze had staan lezen. En zelfs nu, zoals ze daar stond, peinzend starende in de verte, lag er in haar blik niets van dat zacht dromende, dat in sommige meisjesogen zo ongekende diepten van teer zielenleven doet vermoeden, was er geen overgave in haar houding.

Rustig stond ze daar en energiek en bezig. Bezigheid was in de rechterhand, waarmee ze spelende de gordijnkwast vasthield, in de beweeglijke mond, waarover nu en dan een glimlach gleed.

Op de gedachtenweg des schrijvers, die ze gehoorzaam was gegaan, had haar een woord ontmoet, dat haar op de weg van eigene gepeinzen had gebracht, waarop haar gedachten nu voortliepen, half ernstig, half spelend.

'Nous voulons vivre dans l'idée des autres d'une vie imaginaire?' herhaalde ze in zich zelf met een vragend lachje.

Het waren de 'Pensées' van Pascal, waarin ze had staan lezen. Even, na het wegruimen van het ontbijt, had ze het boek ter hand genomen en ze was voort blijven lezen - volgende met haar gedachten de gedachtengang des schrijvers: 'Nous ne nous contentons pas de la vie que nous avons en nous et en notre propre être: nous voulons vivre dans l'idée des autres d'une vie imaginaire, et nous nous efforçons pour cela de paraître. Nous travaillons incessamment à embillir et à conserver cet ètre imaginaire, et nous négligeons le véritable; et si nous avons ou la tranquillité, ou la générosité, ou la fidélité, nous nous empressons de le faire savoir, afin d'attacher ces vertus a' cet être d'imagination.'

Noortje hield van Pascal. Er was iets in het fijn-ontledende, in het ironische, in het sceptische van deze gelovige, dat haar aantrok, dat haar tot denken, erkennen, tegenspreken bracht.

'Nous voulons vivre dans l'idée des autres?' vroeg ze met een glimlach van ongeloof. Was het waar? Was het heus voor het leven in anderer gedachten, dat ze het ware leven verwaarloosde? Ze dacht er aan, hoe groot haar behoefte was aan goedkeuring, hoe sterk de trots, die haar goed en mooi en gelukkig wilde doen schijnen in anderer ogen... hoe ze zich haastte steeds die deugden, die benijdbaar maken voor de mensen, als moed en rust en verstand en tevredenheid aan anderen te doen kennen, zodra ze meende, die in zich zelf te hebben opgemerkt, maar toch... nee Pascal had niet de gehele waarheid gesproken, niet de waarheid voor haar.

'Het is niet in anderer gedachten, maar in eigen gedachten, dat we leven willen,' peinsde ze, 'een denkbeeldig leven, dat we verzorgen en met deugden versieren, dat we rein houden voor bevlekking en waarvoor we èn het leven in anderer, èn het leven in Gods gedachten verwaarloozen.'

En Noortje vroeg zich met een ironisch glimlachje af, hoe ze ooit dat leven in Gods gedachten, het ware leven, waarnaar ze eenmaal door God beoordeeld zou worden, kon leren kennen, waar altijd, als ze haar gedachten op haar ziel concentreren wilde, zich dat denkbeeldig leven daar tussen schoof - en waarop Gods waarheid omtrent haar zelf wel het meest gelijken zou, op de denkbeeldige Nora Velt, die anderen zagen of op het Noortje, dat ze zelf zag, het Noortje van haar zelfbeschouwing, van haar spel?

Ze had nu ondertussen zò lang met de gordijnkwast staan spelen, dat, op de een of andere onverklaarbare wijze, zich een stukje ijzerdraad daaruit had losgewerkt, dat ze nu in de hand hield en waarnaar ze keek met verschrikte blik.

'Hoe komt dat dingetje op zo hoogst mysterieuze wijze in mijn hand? Het schijnt hier te toveren,' onderbrak ze de stroom harer overpeinzingen, maar ze stelde zich gerust met de overweging, dat de gordijnkwast natuurlijk al stuk moest geweest zijn, en haar gedachten en haar handen peinsden en speelden weer voort.

Een ogenblik later vond ze zich bezig, het ijzerdraadje als een ring om haar vinger te winden - het ging niet gemakkelijk - de tanden moesten er bij te pas komen, maar ze kon zich toch niet de wet laten stellen door zo'n klein, weerbarstig ding? Het moest gaan - doodeenvoudig, het moest - en toen ging het ook.

Maar ze was nu onderwijl geheel en al uit haar gedachten weg gekomen, en terwijl ze het boek op zijn plaats zette en het ringetje nog eens bekeek, vroeg ze zich ironisch, waarom ze zich daarvoor nu zo veel moeite had gegeven? Het succes was gering, moest ze zich zelf toestemmen, niet evenredig aan de inspanning, of... haar gezichtje straalde plots van pret en vrolijkheid en haar ogen lachten zo helder op, alsof de zon kwam doorbreken over een vlak, even rimpelend water... misschien wàs het wel een toverring, was haar eensklaps ingevallen.

'We zullen eens zien,' zei ze vrolijk, en ze draaide het ringetje voorzichtig rond aan haar vinger, 'wat voor wonderlijks er nu wel gebeuren gaat?'

Ze stond stil in afwachting, ze was nu plotseling midden in het spel...

Maar toen er niets gebeurde, begon ze zich te verwijten, dat ze toch wel heel kinderachtig haar tijd stond te verbeuzelen. Ze had immers de week! Ze moest nog vijf lampen schoonmaken die morgen, en nog een pudding maken, en nog voor verse bloemen zorgen en de planten water geven - in gedachten ging ze al haar onvervulde plichten na... Maar nog even talmde ze, nog eenmaal draaide ze het ringetje om aan haar vinger - dwaas kind, dat ze nog was! Toen ging ze.

Ze liep naar het lampenhok, waar de keukenmeid de lampen al bij elkaar had gezet en begon met vreugde aan haar taak. Want ze hield van huishoudelijke bezigheden - ze hield eigenlijk van alles, waarmee ze bezig was, - het was alleen maar zo moeilijk aan iets te beginnen, vond ze.

Maar vandaag ging het werk haar al buitengemeen vlug en prettig van de hand... 0, begreep ze plotseling, dat kwam natuurlijk door dat toverringetje, dat ze aan de vinger had, en de fee, die het haar zo geheimzinnig in handen had gespeeld, was natuurlijk zo'n deugdzaam moderne, zo'n morele toverfee geweest, zo eentje á la Alcott. Waren haar niet dadelijk, toen ze de ring aan haar vinger had rondgedraaid, al haar onvervulde plichten ingevallen? En nauwelijks had ze nu de ring ten tweede male rondgedraaid, of zie, met een ware passie was ze bezig die plichten te vervullen - ze mocht waarlijk wel oppassen, het niet ten derde male te doen, of ze zou heus nog lust krijgen, ook de plichten van anderen op zich te nemen... spotte ze vrolijk. Ze was dol in haar schik met het nieuwe speelgoed, dat ze gevonden had - zo grappig, zo geheimzinnig. Ze zou het altijd dragen, als ze kon, maar niemand zou het mogen zien; immers, wie het geheim van een tovermiddel aan anderen openbaart, vernietigt daardoor de toverkracht!


De vrolijke lach van Elly klonk door de veranda.

'Kijk eens kinderen,' riep ze spottend tot de kleintjes, - het waren er twee van dokter Hamer en twee van dominee Borseling, die ze mee naar binnen bracht. 'Kijk eens, juffrouw Nora is geëngageerd, ze heeft haar engagementsring al aan. Kom eens hier, geef haar eens een handje en feliciteer haar eens netjes.'

Elly had de kinderen in de tuin gevonden, zoekende naar de voordeur voor een briefje van de dokter, dat ze mevrouw Merlin brengen moesten en, toen ze nu de veranda met ze binnenkwam, was haar oog dadelijk op de toverring gevallen, die Noortje in haar blijdschap om de kinderen, vergeten had te verbergen. Elly lachte, ze had grote pret, dat ze het preutse Noortje daar op zo romantische dromen betrapte.

Nora kreeg een kleur tot achter de oren, het was dan ook dom, dat ze niet aan de ring gedacht had! En ze ergerde zich ook over Elly's laffe grap, waar kinderen bij waren - ze hield niet van dergelijke geestigheden!

Maar ze voelde, dat het voor de kinderen niet aanging, zich gebelgd te tonen, - het was nu, vond ze, maar het verstandigste, in te gaan op Elly's scherts.

'Ja,' riep ze vrolijk, 'komen jullie maar binnen, kom maar eens zien, wat voor een mooie ring ik hier heb.'

'Bent u geëngageerd?' vroeg Elize Hamer, die de zaak niet geheel vertrouwde. 'Wat een gekke ring! Hij is helemaal niet van goud.'

Noortje lachte. 'Nee,' zei ze, 'maar hij is meer waard dan alle gouden ringen tezamen; het is,' en haar stem werd fluisterend als van wie een geheim, te wonderlijk voor woorden, mee te delen heeft, 'het is een - toverring... Maar ik weet eigenlijk niet, of ik jullie het geheim van dat ringetje wel vertellen kan. Het is zo'n wonderlijke geschiedenis! Wou je het heel graag horen?'

De kinderen keken haar gretig aan, de wijdopen ogen vol mysterie verlangen... Nora begreep die begeerte zo goed.

'Ik zat hier vanmorgen rustig te lezen,' begon ze, 'kijk, in dit dikke boek, en het handelt over de Italiaanse Renaissance, en het is dus zo héél erg geleerd, dat er helemaal geen sprookjes in staan. Ik dacht dus aan geen kwaad en verwachtte ook volstrekt niet, dat er iets bijzonders gebeuren zou. - Maar, terwijl ik zo las, hoor ik op eens een zacht, heel beleefd miauwen - zoals onze kleine, witte Nelly dat doen kan, als de deur dicht is en ze graag binnengelaten wil worden. Ik begreep niet precies, waarom ze miauwde, en wat ze hebben wou, want de deur stond open en ik zei dus een beetje verbaasd, zonder van mijn boek op te kijken: 'Kom maar binnen poes, de deur staat voor je open.

'En ik las weer voort, zonder verder aan de kat te denken.'

'Maar een ogenblik later voelde ik iets krabbelen aan mijn rok en een zacht fluwelig pootje werd vleiend op mijn hand gelegd, - zoals Nelly doet, als ze aangehaald wil worden, - en ik liet mijn hand van mijn schoot af naar beneden glijden om het poezenkopje te aaien, dat voortdurend zijn neusje wreef en drukte tegen mijn boek. En ik aalde en krauwde het kopje en het neusje wreef steeds inniger tegen mijn boek en mijn hand, en, omdat ik ten slotte niet meer wist, hoe die steeds buitensporiger liefkozingen te beantwoorden, mompelde ik, onder 't voorlezen, allerlei liefkozende woordjes.

"'Ja, ja, zoete poes," zei ik "je bent best, hoor! - ja, - kalm een beetje, poesje, - je weet immers wel, dat ik van je houd - ja zeker - we houden van elkaar niet waar?"'..

'En toen sloeg ik mijn ogen op van het boek.'

'0, kinderen, verschrikkelijk! Ik geloof niet, dat ik ooit in mijn leven zó geschrokken ben... Hebben jullie het wel eens gehad, dat je op straat liep met mama, en er liep iemand naast je en je dacht, dat zij het was, en dan zei je wat tegen haar, en je wou haar een handje geven - en dan - merkte je op eens, dat het een wildvreemde dame was, die naast je liep? En dan schrok je... zó schrok ik, maar nog veel erger, toen ik plotseling zag, dat het niet de kleine Nelly was, die naast me stond, maar... zó'n grote, pikzwarte kater!...

'Mijn ogen werden zo groot als rijksdaalders van angst, maar de poes ging voort, zijn hekje tegen mijn handen, tegen mijn boek te drukken, en hij keek me daarbij met zo wonderlijke, zo menselijke blikken aan, dat ik er akelig van werd. Hij trok zijn oogballen in de hoekjes van zijn ogen, kijk zó - en zijn bekje helemaal scheef naar dezelfde kant, zó - om er toch maar vooral lief uit te zien. En hij legde zijn poot op zijn hart, en haalde uit een zakje, dat hij aan een mooi, rood lint om de hals droeg, een klein ijzeren ringetje, kijk, hier is het, en hij reikte me dat toe met een zeer beleefde kattenbuiging.

'Ik bekeek het dingetje opmerkzaam en dacht: 'wat moet ik nu met dat ijzerdraadje doen?' Wat zouden jullie er mee gedaan hebben?... Wat denk je, dat ik deed?'

'U stak het natuurlijk aan uw vinger,' veronderstelde Herman Borseling.

'Ja, dat deed ik ook, maar op hetzelfde ogenblik, begint de poes... te praten. Hij sprak met een diepe, zeer welluidende mannenstem, in zeer deftige bewoordingen en ik begreep dus, dat hij een hoog-aanzienlijk iemand wezen moest.

"'We zijn u zeer dankbaar, dat u ons de vrijheid hebt gegeven, hier binnen te treden." En toen wist ik, omdat hij in de pluralis majestatis sprak, dat hij een koning moest zijn of minstens een betoverde prins. Prinsen hebben wel geen recht die meervoudsvorm te gebruiken, maar wat kinderen thuis horen, nemen ze licht over... Weet je wat de "pluralis majestatis" is?'

'Nee?'

'Dat is de gewoonte van koningen,' verklaarde Nora, 'altijd "wij" te zeggen, als ze van zichzelf spreken, inplaats van "ik". "Wij zijn u dankbaar," zei je, in plaats "ik ben u dankbaar."'

'0, dát wist ik wel,' deed Herman minachtend, trots op zijn kennis, 'dat hebben we al op school geleerd - maar... maar niet dat vreemde woord.'

'Nee, maar dat betekent hetzelfde - nu dan, omdat hij dan zo beleefd tegen me sprak, antwoordde ik niet minder beleefd:

"'Wel Uwe..." ik aarzelde even, "Uwe majesteit..."'

"'Hoogheid," viel hij mij in de rede, want hij was een prins en koningen zijn "majesteit" maar prinsen zijn maar "Koninklijke Hoogheid"'

"'Wel Uwe Koninklijke Hoogheid,"' hernam ik.

"'Pardon," zei de prins, "het is tegen de etiquette, mij met mijn ware titel aan te spreken, ik ben hier incognito."'

'Waarom gebruikte de prins zoveel vreemde woorden?' vroeg Lucy Hamer.

'Och, zo spreken ze altijd aan het hof,' verklaarde Nora, 'hij was het thuis zo gewend. Hij meende er mee, dat ik net moest doen, alsof ik niet wist, dat hij een betoverde prins was, dat doen vorsten soms... voor de aardigheid.

"'Wel poes," zei ik dus, "het is me waarlijk een heel aangename verrassing, dat u deze nederige woning met uw hoge tegenwoordigheid hebt willen vereren. Mag ik ook de reden vernemen van uw bezoek?"'

'De poes glimlachte ontwijkend. "Zou ik eerst van u mogen vernemen, of de woorden, die u daareven gesproken hebt waarheid bevatten?" vroeg hij zacht-smekend.'

"'Wat hèb ik daareven gezegd?" vroeg ik een beetje verbaasd, want ik was ondertussen door de schrik helemaal vergeten, dat ik hem eerst voor onze Nelly gehouden had.'

"'U hebt gezegd: "Zoete poes," u hebt gezegd: "je weet immers wel, dat ik van je houd," zei hij zachtjes. "Houdt u heus een beetje van me? Wilt u met me trouwen?"'

'Ja, dat hàd u gezegd,' triomfeerden de kinderen, meedogenloos genietende van juffrouw Nora's verlegenheid.

'Ja, ik had het gezegd,' moest Nora toegeven, 'dat was niet tegen te spreken. En het gaat toch ook niet aan, eerst zo vriendelijk te zijn en dan dadelijk daarop - en nog wel tegen een prins! - te zeggen: "Mijn vriendelijkheid was voor een ander bedoeld?" Zo iets horen prinsen niet graag, het klinkt zo onbeleefd...

Nora aarzelde... ze wachtte even.

'Maar wou u dan niet graag met hem trouwen? Met een betoverde prins? Dat lijkt me juist zo heerlijk!' zuchtte Elizetje.

'En zei hij ook, of hij ooit weer een prins zou worden?' vroeg Lucy, die, praktischer van aard, Nora's aarzeling beter begreep.

'0 ja, hij vertelde, dat hij door een boze tovenaar in een kater veranderd was, en hoe die tovenaar had gezegd, dat hij nooit weer zijn menselijke stem zou herkrijgen, als niet een vrouw uit eigen, vrije beweging hem zeggen zou, dat ze hem liefhad, en de ring, die de tovenaar hem gaf, aan de vinger steken zou; nooit zijn menselijke gedaante zou kunnen hernemen, tenzij die zelfde vrouw, uit eigen, vrije keuze, hem nemen zou tot echtgenoot en met hem voor het altaar zou treden. En toen hij mij dàt had verteld, zette hij zijn vier pootjes op de grond, en met een hele grote sprong, sprong hij de tuin in - en verdween...'

'Hij was juist weg, toen jullie binnenkwamen. Hebben jullie hem nergens gezien in de tuin?'...

Nee, ze hadden geen grote, zwarte kat gezien, verklaarden ze ernstig.

'En bent u nu van plan met hem te trouwen of niet?' vroeg Marietje Borseling.

'Ik weet het waarlijk niet,' zuchtte Nora. 'Och, kinderen, geven jullie me toch eens een verstandige raad. Wat móet ik doen?'

'En zei hij ook, wanneer hij zijn antwoord zou komen halen?' vroeg Elly ernstig.

'Ja, morgenochtend precies negen uur. Dan zou hij komen zien, of ik de ring nog droeg. En draag ik hem nog, dan moet ik met hem trouwen.'

'Dat is gauw,' spotte Elly.

'Veel te gauw voor zulk een gewichtig besluit. Wat moet ik toch doen kinderen, wat raden jullie me?'

'U moest het maar doen, juffrouw Nora,' vleiden ze.

'Hè ja, en dan moest u ons allemaal op de bruiloft vragen,' vond Lucy.

'En gaat u dan morgen al trouwen? Hoe heerlijk!' juichten de anderen.

'0 juffrouw Nora, dan wordt u koningin, en dan krijgen wij taartjes en limonade!'

'Als ik het deed,' plaagde Noortje.

'0 ja, u móet het doen,' vond Lucy, 'stel u eens voor! dan kwam er morgenochtend om negen uur een prachtig rijtuig het dorp binnenrijden, met zes paarden en een vuurrode bok, en allemaal goud en fluweel. En dan hield het stil voor uw huis, en de prins stapte er uit...

'De kater sprong er uit, meen je.'

'Nu ja, maar dat kwam er niet aan, want u wist toch, dat het een betoverde prins was. En u was helemaal in het wit met een mooie, lange sleep, en die mochten wij voor u dragen en een sluier, die van zilvergaas was en een kroontje op het hoofd en dan stapte u in 't rijtuig... 'Met de poes in mijn armen,' vulde Nora spottend aan - 'en dan reed ik naar de kerk met de poes op mijn schoot... maar dat zou dan toch immers al te gek staan?' 'Nee, volstrekt niet,' zei Lucy ongeduldig, 'iedereen wist het immers, en in de kerk stond de dominee al klaar om u te trouwen.' 'En die zei tegen me: "Rijdt maar weer naar huis, ik wil met jullie toverkunsten niets te maken hebben - ik trouw jullie niet." 'Niét waar,' viel Herman volijverig in, 'dat zou papa nooit zeggen. Wij zouden immers wel verteld hebben, dat u en de prins het heus niet helpen konden, dat hij betoverd was. 'Natuurlijk,' bevestigde Elize, 'en dan was de kater een mooie, grote prins geworden, 0, zón mooie, grote prins! en u een prinses...' 'En dan stapte u in het rijtuig,' vulde Lucy aan, 'en wij stonden voor de kerk en we riepen allemaal "hoera", en we kregen taartjes en limonade. Stel jullie je dat toch eens voor...' Haar ogen schitterden van pret en lust in taartjes. 'Het wordt zó wel heel verlokkend,' peinsde Nora, 'wel Elly, zeg jij mij toch eens, wat ik doen moet.' 'Dat moet je zelf weten,' meende Elly, 'in zulke dingen neem je geen raad van anderen aan... Maar het is misschien je laatste kans, om koningin te worden... 'Misschien wel,' overwoog Nora, 'maar... 0 nee!.. ik durf niet. Verbeeld je eens, dat ik met de prins getrouwd was, en ik was met hem alleen in het donker... en ik zag dan plotseling zijn ogen schijnen met de gele glans van kattenogen? Hebben jullie wel eens kattenogen gezien in het donker?' 'Ja, net kooltjes vuur.' 'En zou je het niet vreselijk griezelig vinden, als je iemand zag, die zulke ogen had?' En haar stem klonk zo angstig, als griezelde ze zelf bij de gedachte... Met een breed gebaar van afschuw wierp ze de ring van zich af, de tuin in. 'Ik durf niet,' riep ze huiverend, 'nee heus, ik durf niet!...' Een kreet van teleurstelling was het antwoord. 'De arme poes,' riepen de kinderen en ze stormden lachend de tuin in om het ringetje te zoeken. 'De arme prins!' zuchtte de blonde Elize medelijdend, - langzaam volgde ze de anderen. 'Het was dus toch een engagementsring?' vroeg Elly, haar donkere ogen vol pret en spot.

'Het was een ijzerdraadje, dat ik uit de gordijnkwast heb zitten plukken en in gedachten om mijn vinger gewonden heb - en verder is het ... alles wat jij maar wilt.' - en Nora volgde de kinderen in de tuin.


Sindsdien kwamen de kinderen haast iedere zaterdagmiddag op Ekedal om juffrouw Nora sprookjes te horen vertellen. Mevrouw Borseling vond het wel wat erg. Ze was bang, dat haar kinderen het mevrouw Merlin lastig zouden maken - het waren zo buitengewoon wilde, drukke klnderen, die jongens van haar! - en ze bracht dus eens een visite op Ekedal, alleen om voor haar kinderen excuses te maken - want anders zagen mevrouw Merlin en mevrouw Borseling elkander niet meer.

Ze vond mevrouw uit, maar juffrouw Nora was thuis, en Noortje ontving haar heel vriendelijk. Nee, waarlijk niet, verklaarde ze, tante vond het in het minst niet lastig, als ze kwamen, ze merkte er haast niets van - , en zíj... Ja, heus, ze zou ze altijd direct naar huis sturen, zodra ze ze kwijt wou wezen - daar kon mevrouw eerlijk op aan. Maar ze hield zoveel van kinderen, het was waarlijk een genot voor haar als ze kwamen...

Nora kon heel innemend, heel bescheiden beleefd zijn tegenover oudere dames, en ze was ook die middag zó lief, dat mevrouw Borseling verrukt over haar was en zó toeschietelijk, dat mevrouw bij het afscheid nemen vroeg, of Nora haar niet eens wilde komen opzoeken - wat Nora met warmte beloofde.

Toen mevrouw vertrokken was, stond ze een ogenblik verbaasd over zichzelf. Waarom was ze zo geweest? Waarom had ze met zulk een gretigheid de gelegenheid tot intiemer kennismaking met de familie Borseling aangegrepen? Was er iets in het alledaagse, tobberige vrouwtje geweest, dat haar zo sterk had aangetrokken? Was het alleen haar liefde tot de kinderen?...

En later, na haar eerste visite, wat was het tóen, dat haar telkens en telkens weer naar de drukke, ongezellige pastorie dreef, waar ze heen ging met een vaag gevoel van onbestemde hoop, waar ze geduldig zat te luisteren naar de eindeloze, steeds herhaalde klachten van mevrouw Borseling over haar drukke dominees-huishouding, over haar lastige kinderen, over haar slechte dienstboden - en van waar ze weer naar huis terugging met een beklemd gevoel van onrust en onvoldaanheid? Wat was hetgeen Nora's hart in onrust begon te brengen, in die dagen?

Tot nog toe was ze altijd heel tevreden geweest met haar geloof - of gebrek aan geloof - met de gedachte aan hetgeen ze naderhand zou geloven, later, als ze volwassen zou zijn, en ze het prettig zou vinden in de Bijbel te lezen; later als ze weten zou, wat ze van God moest geloven en van Jezus. En ze had nooit behoefte gevoeld - misschien ook de moed niet gehad - de komst van die tijd van kennis te verhaasten, slechts had ze nu en dan liefkozend haar hand op moeders Bijbel gelegd, vol eerbiedige schroom en liefde voor dat heilige, dat haar moeder gekend had, voor dat wonder Gods, dat werkelijkheid zijn zou, en niet als al haar wonderen slechts bestaan zou in eigen verbeelding. En toen tante haar nu een poosje geleden, toen Marie naar catechisatie zou gaan bij dominee Demont, gevraagd had, wat zij wilde - ze zou haar natuurlijk geheel vrijlaten in haar keuze, maar ze verwachtte toch wel, dat ze ook graag aangenomen en lid van de kerk zou willen worden? - had Nora onverschillig geantwoord, dat ze heel graag met Marie zou willen meegaan. En ze was eigenlijk blij geweest, dat dominee Demont modern was, bang, dat een orthodox predikant te hoge eisen aan haar geloof zou moeten stellen.

Maar toen nu de goede, dikke dominee Demont heel joviaal en heel genoeglijk, omdat het zo iets prettigs was, dat de mensen niet meer in het duistere wonderengeloof bevangen waren, het gordijn begon weg te schuiven, waarachter Nora het mysterie had verborgen gewaand, - juichende in de onbezweken onderzoekingsijver der geleerden, in de verbazende scherpzinnigheid, die tot zo heerlijke uitkomsten had geleid, toen hij van Jezus van Nazareth begon te spreken als van een groot en goed man, een zeer bijzondere persoonlijkheid, die als alle grote mannen en boven die allen, door God gezonden was om de mensen grote en heilige waarheden te verkondigen, - maar hoe zijn leerlingen - mensen die niet boven hun tijd, maar midden in de verwachtingen en vooroordelen der Joden hadden gestaan, - in hem hadden gezien de langverwachte Messias, de koning der Joden en zó ook zijn leven hadden beschreven, en hoe zich zeer vele legenden en wonderverhalen omtrent de persoon van de Christus hadden gevormd... toen weigerde Nora's hart iets te geloven van al wat dominee Demont beweerde.

En ze begon zichzelf af te vragen - indien die bronnen dan heus zo troebel waren, zo onbetrouwbaar, zo ontsprongen waren uit een vooroordeel - indien dan Jezus een mens was geweest en geen God - wat dominee Demont dan toch het recht gaf, zo zeker te zijn van de voortreffelijkheid van die éne mens boven alle anderen - van de onberispelijkheid der woorden, die hij had gesproken, der daden, die hij had gedaan? En of er niet misschien velen waren geweest onder die miljoenen en nog een miljoenen, die onbekend geleefd hadden en gestorven waren - misschien zelfs enkelen onder het zoveel geringer aantal beroemde personen - Buddha misschien, of Socrates of Paulus? - die hun strijd voor waarheid zuiverder, eenvoudiger, heiliger hadden gestreden dan hij?

En waarom, vroeg ze, zouden dan de mensen Jezus' woorden, de woorden van een mens, tot richtsnoer moeten nemen voor hun daden en geen kritiek mogen oefenen op hem? Wie was boven kritiek verheven dan God? En ze dacht aan de wisselaars in de tempel, aan de Farizeën, die zonder onderscheid des persoons 'adderengebroedsel' werden genoemd, en ze voelde verontwaardigd, dat misschien Buddha niet, en Socrates niet, maar zéker niet haar moeder in staat zou zijn geweest tot zulk een daad van ruw geweld - zulke woorden van oordeel en verachting, alleen betamelijk voor een God!

En dan vroeg ze zich ook af, of, indien de eerste discipelen zich niet zo schromelijk vergist hadden, er wel ooit een christelijke kerk, en een christelijke godsdienst zou bestaan hebben en of het, nu de mensen eindelijk hun dwaling hadden ingezien, misschien ook maar niet beter en eerlijker zou zijn, die fout ook in haar gevolgen te herstellen?

Indien ik geloofde als dominee Demont, dacht ze, en indien ik dan prediken moest - ik zou prediken in mijn eigen naam, in mijn eigen oordelen over goed en kwaad of... in de naam van God - in Zijn naam mag iedereen spreken - maar nooit in de naam van iemand, die twee duizend jaar geleden geleefd heeft en gestorven is en van wie we toch eigenlijk al heel weinig weten...

Wat had de naam van Jezus te maken met haar oordeel over goed en kwaad?

Nora ging trouw naar de catechisatie en zelden had dominee Demont zulk een prettige, belangstellende leerling gehad, die ook in haar opstellen zo duidelijk toonde zijn lessen met aandacht gevolgd en helder begrepen te hebben. Natuurlijk uitte ze in die opstellen haar ongeloof en teleurstelling niet - hoe zou ze zo intieme gedachten hebben blootgelegd voor een vreemde? - hoe zou ze zo onrijpe gedachten hebben gesteld tegenover die van haar leermeester?

Maar hoe meer ze naar de catechisatie ging, hoe sterker haar onrust, hoe banger haar onvoldaanheid werd.

En ze begon ook voor zichzelf in de Bijbel te lezen in die dagen, hopende Jezus daarin te vinden - niet Jezus van Nazareth, de interessante historische persoonlijkheid, die de gehele mensheid had liefgehad en voor de waarheid was gestorven - maar Jezus, de levende Heiland, die haar hoorde, als ze tot Hem riep, die haar zag, als ze bedroefd was, die in waarheid voor haar wezen zou, wat ze zich droomde, dat haar dode moeder voor haar was. Wat ging haar de liefde aan van Eén, die haar nooit gekend had?

Heel voorzichtig las ze dan, angstig en schroomvallig - bang, iets te ontmoeten, wat te hoge eisen stellen zou aan haar geloof, steeds enkele verzen vooruit ziende in haar voorzichtigheid...

Maar dan, als ze had gelezen van die storm op zee, waarin Jezus zich zijn discipelen geopenbaard had - en als haar hart met bevende vreugde dacht, hoe ook Jezus haar zou kunnen verschijnen en haar onrust zou bestraffen en tot zwijgen brengen en als ze dan, in haar blijdschap alle voorzichtigheid vergetende, voortlas en die man ontmoette, door duivelen bezeten, wier naam Legio was... en dan haastig deze verzen wilde overslaan, terecht kwam te midden dier kudde door duivelen bezeten en voortgedreven zwijnen... dan sloot ze verschrikt en teleurgesteld het boek, niet wetende, wat ze van al die duivelen en zwijnen geloven moest...

Hoort de Vader niet daarboven,
Dat zijn kind zo droevig schreit
"ik geloof - ik wil geloven,
Help mijn ongelovigheid?"

Herder kom, waar zich het klagen
Droef en angstig horen laat.
Om Uw lam naar huis te dragen,
Dat, alleen, verloren gaat-.

bad zij in haar angst en droefheid.

En of nu Nora werkelijk hoopte op de Esdorpse pastorie iets te vinden, wat haar 'ongelovigheid te hulp' zou komen? Of ze die hulp van de plechtige dominee Borseling verwachtte, die haar nog minder sympathiek was dan dominee Demont, - die nooit een woord sprak, dat Nora niet verschrikt deed opkijken, dat haar niet schokte door een voor haar onbegrijpelijke verenging van het allerhoogste met volkomen onbewuste en daardoor meest schaamteloze wereldsgezindheid? Of ze van mevrouw Borseling hulp verwachtte, het kleine, sukkelige vrouwtje, dat niet op kon tegen het leven, tegen haar man, tegen haar dienstboden, tegen de last van haar steeds aangroeiend kindertal? Of lag hierin haar hulp, voelde ze hierin reeds een veiligheid, er telkens aan herinnerd te worden, dat er nog iets anders bestònd dan de opvatting van tante en dominee Demont, dat het mogelijk was, iets anders te geloven?



Uit: Jacqueline E. van der Waalspagina - Verzameld proza, verzameld en ingeleid door Henk van der Ent, Uitgeverij de Groot Goudriaan, Kampen, 1996; Noortje Velt, 1901, F. Bohn Haarlem

[Deel VI] [Jacqueline E. van der Waals pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.