Noortje Velt

Jacqueline E. van der Waalspagina

XI

[Deel X]

Met zulk een vaste beslistheid kwam het maanlicht door de openstaande vensters naar binnen vallen, zo rustig had het met zijn felwit schijnsel van Nora's kamer bezit genomen, had het met zijn zwarte schaduw ieder hoekje van het vertrek gevuld, dat Noortje daar half lachend, half verschrikt stond te protesteren tegen zulk een brutale overrompeling~

Maar dat ging toch maar zo niet? Was deze kamer niet háár eigendom? Was dat koele, witte bed, waar het maanlicht zo gewetenloos te slapen lag, niet opgemaakt voor háár? Had zij niet het recht daar in die kussens het hoofd te verbergen in duisternis? Maar daar lag nu het maanlicht, en sliep en gedroeg zich als eigenaar. Alles had het haar ontvreemd, ieder ding in de kamer geterroriseerd tot een koel; zwijgende ontvangst. Waarom spraken ze nu niet voor haar, de dingen, die ze liefhad? Hoe konden ze haar zo laf verloochenen voor dat slapende licht?

Er was een feestje geweest op Ekedal ter ere van Elly's engagement. De familie Ryhof was er geweest en Mart, en dominee Vinius en zijn vrouw en natuurlijk mevrouw Reichers en Jaap. Maar nu waren de gasten vertrokken en mevrouw Merlin, die hoofdpijn had, was blij, naar bed te kunnen gaan. En toen, plotseling bij het afscheidnemen was het weer over Nora gekomen, dat gevoel van hopeloze ellende, was diep in haar het oude pijngevoel, dwazer, onredelijker dan ooit, aan het kreunen gegaan van schaamte, - van verlangen naar eenzaamheid en duisternis -. van ongeduld om zich te verbergen voor zichzelf. En half vluchtende had ze zich naar haar kamer gehaast...

En daar stond ze nu en keek rond. Vreemd toch, dat het maanlicht zulk een gevoel van onrust, van onveiligheid kon geven! Mooi was het anders wel, zoals het naar binnen viel door het open raam. Ze zou de gordijnen maar open laten, veilig als haar raam achter de plataan verborgen was...

Met bevende vingers begon ze zich te ontkleden.

Nu stond ze voor de spiegel. De haarspelden had ze uit het haar genomen, en golvend viel het over rug en schouders. Ze glimlachte omdat ze zich zo mooi zag. Een fijn, tenger figuurtje door de wijde, witte plooien van het nachtgewaad omhuld, een teer, bleek gezichtje, omgeven door een glorieschijn van lichtend haar.

Ze knikte zichzelf toe, en bloosde, - en verborg het gelaat in de handen.

'0, God,' zei ze hartstochtelijk, 'ik ben zo ijdel, zo verschrikkelijk ijdel, niemand weet, hoe ijdel ik ben. Ze denken soms, de mensen, dat ik niet ijdel genoeg ben, omdat ik te trots ben, mijn ijdelheid te tonen - of te verstandig - omdat mijn opvatting van mooi wel eens verschilt van de hunne - omdat ik mijn haar niet wil branden, en toevallig geen ringen of armbanden draag, - omdat ik niets voel voor mooie, kostbare kleren op zichzelf, maar zelf mooi wil zijn in mijn kleding, - maar ze weten niet, ze weten het niet, hoe dikwijls ik U gedankt heb, als ik door de velden liep en mooi wilde zijn voor U en voor mezelf,... ze weten het ook nü niet, hoe heerlijk ik het vind, mezelf zó te zien in de spiegel.'

Aandachtig bekeek ze haar gelaat. Ze zag het neusje, recht en fijn, de ernstig-vragende mond, de kinderlijk-zuivere lijn van onderkaak en kin, ze keek in de grijs-blauwe ogen, die glansden van opgewondenheid...

'Het is goed,' sprak ze zacht, 'indien iemand me liefhad, hij zou me zó kunnen zien... en zich in me kunnen verheugen... Liefde is minstens zo vermooiend als maanlicht...

Ze begon heen en weer te lopen door de kamer.

'Daaraan althans ligt het niet,' mompelde ze, 'daaraan niet...'

Ze stond stil voor het raam en keek naar buiten.

Volkomen gaaf en glanzend blonk de maanschijf aan de hemel, kleine, witte wolkjes dreven, zelflichtend, langs een donkerblauwe met licht gedrenkte lucht.

'Wie heeft ooit bedacht, het maanlicht vredig te noemen?' vroeg ze. 'Een storm, een onweder is niet zo opwindend als dit licht.'

Dromerig staarde ze in de verte over de slapende landen, over nachtelijk stille bossen en dromende huizen in het licht, over blinkende wit-nevelige weiden - en het werd haar, als zag ze de vrede glanzen van een vreemd, ver, onbereikbaar land.

Some world far from ours,
Where music and moonlight and feeling are one

fluisterde ze verlangend. Ze hief haar ogen op naar de maneschijf, peinzend:

'Waar maanlicht één is met gevoel en klank... Indien de zoete vrede van dat blanke mysterielicht in mijn ziel tot vreugde werd en niet tot onrust en pijn...' Ze zweeg, haar lippen trilden.

Nee, och nee, wat had ze toch? Wat betekende dat dwaze gevoel van smart en onrust en schuld? Wat was het, dat het maanlicht van haar scheen te eisen - dat ze niet geven kon? Was er iets, dat ze had moeten begrijpen in haar leven? Iets dat ze had moeten zijn en niet was geweest?...

Verzuimde gedachten, ongezongen zangen, ongeweende tranen, onvolbrachte daden - zouden ze ook háár eenmaal komen aanklagen, als het te laat was? Was ook zíj bezig, als Peer Gynt zich te verliezen in het leven?

'Peer Gynt had het wel gemakkelijk,' sprak ze zacht-ironisch, 'hij had Solveig om hem te redden, toen hij zichzelf onbegrepen verloren had.' Ze glimlachte, maar met tranen in de ogen. Ze glimlachte van medelijden met zichzelf, omdat de mensen haar zo kalmweg verloren zouden laten gaan, zo stil, zo onbegrepen. Omdat er niemand was, die haar kende, haar zag, haar begrijpen zou, zoals God haar had bedoeld. Niemand om haar te behouden, zoals Solveig Peer Gynt behouden had, 'in haar geloof, in haar hoop, in haar liefde'...

En 0, wat moest dat toch heerlijk zijn, zichzelf verborgen, bewaard te weten in het hart dat ons lief heeft!

Ze schreide nu heus heel eventjes, omdat het toch zo aandoenlijk was, dat kleine, tengere figuurtje daar zo eenzaam, zo heel eenzaam te weten in het maanlicht - die kleine gedaante,

Whose heart was breaking for a littie love...

Maar toen schaamde ze zich toch ook weer voor die tranen.

'Alsof ik mezelf niet behouden kon,' glimlachte ze trots, 'alsof ik daar een ander hart voor nodig had!...

Nee, het was niet om een paar verzen, die hij had moeten zingen en niet gezongen had, om een enkele daad die hij verzuimd had, om wat ongedachte gedachten, wat ongeweende tranen, dat Peer Gynt verloren dreigde te gaan - het was, omdat hij zichzelf, zijn ziel verkocht had aan de aarde... 'Zullen we samen ons best doen, Nora Velt te bewaren, God?' vroeg ze ernstig, 'haar te begrijpen, zoals gij haar U gedacht had?...'

'Mijzelf te behouden in God,' sprak ze peinzend. 'Mijn ziel niet te verkopen... niet voor lof of voordeel, of bewondering... niet om goed te doen, om nut te stichten in de wereld, niet om te slagen in enigerlei niet voor liefde... ook niet voor het geloof, voor de vrede, die alle verstand te boven gaat....

Ze keek naar buiten.

'Niet voor die vrede, God,' sprak ze ernstig.

'Misschien, dat ik eenmaal, na een nutteloos leven, voor U zal komen pleiten op mijn ongeloof...'

Weer begon ze heen en weer te lopen door de kamer.

'Samen met U, God,' fluisterde ze, naar buiten ziende, 'desnoods... desnoods alleen.'

'Ik weet niet, wat ik vanavond heb,' begon ze een ogenblik later, 'ik weet niet, waarom ik niet naar bed kan gaan - ik weet niet...' haar lippen begonnen te trillen, 'ik weet het wèl,' sprak ze plotseling snel, hartstochtelijk sprekend. 'Wat geeft het me, of ik het me langer ontveins, wat geeft het me, of ik mezelf tot vervelens toe voorhoud, dat Jaap de man niet is, die ik ooit zou kunnen liefkrijgen - dat hij eigenlijk niets anders is dan een aristocratische, bedaarde egoist - zonder diepte, zonder ernst, zonder hartstocht - zo juist de jongen, die slagen zal in de wereld - maathoudend in alles - vrij knap, vrij muzikaal, vrij praktisch, vrij verstandig, matig vooruitstrevend, matig orthodox, bewonderend met mate, liefhebbend... met mate...

'En wat geeft het me, of ik al zoek, iedere avond, naar minachtende woorden van spot en ironie om mijn afkeuring te uiten, terwijl ik toch dagelijks, als ik zijn hoge gestalte maar van verre zie naderen, als ik hem zijn lang lichaam zie uitstrekken in een der stoelen van onze veranda - weet en voel, dat iedere houding van zijn hoofd, iedere beweging van zijn fijne vingers, iedere klank in zijn stem, mijn hart doet ontroeren van vreugde? Wat geeft het me, of ik mezelf al betoog, dat ik niet werkelijk van hem houd, dat het alleen maar zijn schoonheid is, die ik liefheb, en dat het heus verkeerd is, en zo niet wezen moest, terwijl ik toch weet, - en het heerljk vind, - dat het zo is...

'God,' zei ze plotseling, bevende van opgewondenheid, 'wanneer ik U ooit iets heb gevraagd, iets van belang, ik heb het nooit gekregen... Dat was goed, ik vroeg zeker om dingen, die niet goed voor me waren, die U te goed was me te geven. maar nu ga ik U iets vragen, dat ik wél wou, dat gebeurde... en ik wou, dat U nu eens voor één enkele maal niet de Algoede, Alwijze God voor me waart maar de goedige Geest uit het toversprookje, de verraderlijk goede Geest, die zich verbidden laat, die de mensen straft, indien ze dan gestraft moeten worden, juist door de vervulling van hun wensen. Ziet U, ik zal niet klagen, als het fout uitkomt, ik zal U heus niet verantwoordelijk houden voor de gevolgen.

Ze knielde neer, en sloot de ogen en vouwde de handen in officieel gebed.

'God,' vroeg ze nadrukkelijk en langzaam, 'ik bid U, dat Jaap Reichers mij mag liefkrijgen, míj Nora Velt... U weet wel, hóe ik liefhebben bedoel,' voegde ze er, opstaande, haastig aan toe, als vreesde ze, dat God nu ook, als de goede Geest uit de toversprookjes, zich door een woorddraaierijtje aan de vervulling van haar wensen onttrekken zou.

'En nu,' sprak ze ironisch, 'als U hier nu maar voor zorgt, zal ik zelf wel zorgen voor de gevolgen.'

Ze scheen nu veel rustiger geworden, kalm stond ze zich het haar te vlechten voor de spiegel. 'Ik ben nu ook al drie-en-twintig jaar, verontschuldigde ze zich, 'en de tijden zijn voorbij, dat de deugd der vrouwen zwijgen en wachten was. Ik moet nu eindelijk weten, hoe het staat. Als een man een meisje gevraagd heeft, als hij zijn lot weet, gaat hij heen en werkt en leert vergeten. Waarom zouden wij, vrouwen, moeten wachten en wachten tot onze liefde groot en sterk geworden is, sterker dan wij zelf... tot we te oud zijn om te gaan werken, te moe, te zwak om onze smart te overwinnen.. - Niets krenkt het hart als uitgestelde hoop!

'Nu, over een week, moet ik het weten, God, en ik zal het weten al moest ik het Jaap openlijk vragen. En als het dan "nee" is, want ik vrees, dat U toch weer al mijn uitdagende woorden vergeven zult - daarvoor bent U nu eenmaal God en geen berggeest - als het dan "nee" is, dan zal ik zien, welk werk U voor mij te doen hebt... maar, als het "ja" is... o, God, God welk een zaligheid! 0, mijn jongen, mijn jongen, ik kan het niet helpen, dat ik van je houd - het is je schoonheid, het is - 0 nee Jaap, je bent het zelf, je bent het zelf! En ik meende het niet, als ik kwaad van je sprak, als ik je gebrek aan hartstocht verweet, gebrek aan liefde! Wat wist ik af van je liefde? Ik was maar een beetje boos, Jaap omdat ik dacht, dat je niet van me hield... En ik vind het eigenlijk ook zo prettig al je fouten op te noemen, want het is om alles wat je bent, Jaap, om elk van je fouten, dat ik je liefheb. En wees nu niet meer boos, vergeef het me, indien ik onredelijk voor je was! Je kunt toch niet verlangen dat een vrouw, die liefheeft, redelijk zijn zou?'


Van dat ogenblik af aan was Nora's houding tegenover Jaap veranderd. Niet, dat ze getracht zou hebben, hem te behagen, zijn liefde op te wekken, ze kon nu eenmaal niet koket, niet behaagziek zijn, ze kon nu eenmaal geen aanloop nemen voor ze sprong... Maar ze begon hem eenvoudig en openlijk haar liefde te tonen, opdat hij weten mocht, dat ze van hem hield. Ze had misschien een zeer onvoldoende wijze haar liefde te tonen, ook waar ze die uiten wilde, en ze heeft nooit geweten of Jaap, of haar omgeving, de verandering in haar gedrag opgemerkt heeft of niet - maar voor haar eigen gevoel gaf ze zich bloot voor Jaap, gaf ze zich bloot voor heel Esdorp, en dat juist wilde ze... Waarom zou een jongen zijn liefde mogen tonen en een meisje niet?


Jaap met zijn lange benen en Nora met haar altijd vlugge, veerkrachtige stap waren de anderen een heel eind vooruitgestoven op de weg naar de Dennenheuvel, waar ze de zon wilden zien ondergaan. Vroeger zou Noortje haar stap moedwillig vertraagd hebben, zou ze Elly en Marie hebben toegeroepen, zich toch te haasten, daar ze anders zeker te laat voor de zonsondergang zouden zijn, verlegen als ze zich altijd voelde alleen met Jaap. Maar nu had ze zich laten gaan, blij, hem eindelijk eens alleen te zullen spreken.

Jaap sprak druk. Hij was een paar dagen met zijn moeder bij de Van Arlens geweest en hij vertelde van een fietstochtje, dat ze daar gemaakt hadden. Het was mooi in de buurt van Driebergen, vond hij, vooral 's avonds als de zon onderging, in het lage land de kant van Bunnik en Neerlangbroek op. Ze hadden op een avond langs de Wetering gefietst, langs vurige klavervelden, vol klaprozen en helgele koolzaadvelden - en Nora kon het zich zo goed voorstellen, terwijl hij vertelde, die bloeiende velden in het avondlicht, als alle kleuren nog even fel opgehaald worden door de ondergaande zon.

Nu was hij weer aan het werk, vertelde Jaap, hij moest nu wat voortmaken met zijn proefschrift. En Nora vroeg hem daarnaar, naar het onderwerp van zijn dissertatie, naar zijn moeilijkheden. Ze wou altijd zo graag weten, hoe een mens het toch aanlegde, niet, om heel veel bekends te weten te komen, maar om zelf iets nieuws te vinden, iets, dat de moeite van het opschrijven waard was.

Jaap lachte. Ze moest zich daar niet te veel van voorstellen, van dat nieuwe in de rechtswetenschappen, dat nieuwe in zijn dissertatie. En hij begon haar uit te leggen, wát hij deed, hóe hij werkte, waar hij zijn stof putte en Nora luisterde vol belangstelling. Het gesprek vlotte heel goed, heel gemakkelijk, zolang Jaap vertelde.

En daar straks, toen hij zat te werken, en ze hem stoorden met hun komst... begon Nora.

Nee, toen werkte hij niet, toen had hij in 'Het Jongetje' van Henri Borel zitten lezen, dat kende Nora immers ook?

Natuurlijk 'Het Jongetje' en 'Hilda van Suylenburg', dat waren de boeken, die iedereen las, waarover je mee moest kunnen spreken in die dagen.

En hoe vond ze het boek? Haar oordeel over 'Hilda' kon hij zich wel voorstellen, maar hij was benieuwd of ze het boek van Henri Borel mooi vond of niet.

Juist dat hij zei, er benieuwd naar te zijn, maakte Noortje verlegen en zenuwachtig, maakte, dat ze haar oordeel haast niet uiten dorst. Onsympathiek vond ze het boek van het begin tot het einde. Ze vond het verkeerd, dat kinderen zich verbeeldden verliefd op elkaar te zijn en dat de schrijver daar zo gewichtig over deed. Ze kende ze immers heel goed, die meisjes, die briefjes schreven aan haar vriendjes, hen ontmoetten in het geheim, achter de rug van haar ouders om, en ze kende ook haar leugens, en draaierijen en bedrog... En al was dat alles nu nog zo mooi beschreven met heel veel fijne, teer-mooie woordjes, de zaak bleef dezelfde.

Maar in Jaaps vraag had ze gevoeld, hoe hij het boek bewonderde - misschien wel had hij onder 't lezen gedacht aan het een of ander verliefdheidje uit zijn jeugd, en vond hij het heerlijk, die liefde zo heel mooi en fijn geïdealiseerd te vinden?

'Ik houd niet van het boek,' sprak ze ontwijkend.

'Waarom niet?' vroeg Jaap met een klein glimlachje van beter begrijpen. 'Vind je het verkeerd?'

'Ja,' zei ze zenuwachtig, 'ik houd er niet van, dat kinderen verliefd zijn.'

'Dat dacht ik wel,' zei Jaap, 'ik dacht wel, dat je dit niet zou kunnen. begrijpen. Maar heus, je vat het helemaal verkeerd op, Noortje, dit is geen gewone jongensverliefdheid, dit is liefde... een heel mooie, heel tere liefde, des te reiner, omdat het nog reine kinderen zijn, die elkaar zó liefhadden. De liefde tussen deze twee is iets heel bijzonders.'

'Dat heeft Borel me ook aan het verstand pogen te brengen, maar ik geloofde hem niet. Ofschoon... van het jongetje is het misschien ook wel iets bijzonders, die was niet normaal en het is moeilijk in gedachten en gevoelens van zenuwzieken in te komen. Maar het meisje is een heel gewoon kind, een kind, dat achter de rug van haar moeder wenken geeft aan haar vriendje. Ik heb niet aan haar reinheid kunnen geloven.'

Jaap zweeg, blijkbaar een beetje ontstemd.

'Maar de stijl dan?' vroeg hij even later, 'die moet je toch wel mooi vinden?'

Nora antwoordde niet terstond. Wat zou ze zeggen? Dat ze de stijl vond, als het hele boek: wekelijk, vals-gevoelig? Ze had geen moed, Jaap nog dieper te ontstemmen.

'Nogal,' klonk het flauw.

Ze voelde, hoe ze Jaap nu weer tegenvallen moest - hoe koel, hoe bekrompen, hoe onsympathiek hij haar vinden moest in haar niet mee kunnen voelen met hetgeen hij bewonderde.

Maar waarom had hij haar ook naar haar oordeel gevraagd? Het was altijd pijnlijk als de mensen je ernstig vroegen om kritiek.

Jaap zweeg en Noortje liep zwijgend naast hem, en ze voelde de stilte op zich komen aansuizen als een vaag-angstige beklemming die ze breken moest, maar niet kon verbreken. Wat zou ze zeggen? Dat de zon mooi beloofde onder te gaan? Maar zou dat niet zijn, alsof ze niet zwijgen dorst? Waarom zei Jaap nu niets? Zou hij heus een beetje teleurgesteld zijn, dat ze zo niets was dan kritiek en koel verstand? Zou hij over iets nadenken? Iets, dat hij zeggen wou?... Gelukkig, nu waren ze op de top, nu zouden Marie en Elly dadelijk bij hen zijn. Waarom was ze ook zo dom geweest, vooruit te stormen met Jaap? Ze had toch niet heus gehoopt, dat...

'De zon staat nog zo hoog,' zei Jaap, 'we kunnen nog best de top van de Kerstenberg bereiken, vandaar is het uitzicht veel onbeperkter.'

'Goed,' zei Noortje gedwee. Ze zou over zich laten komen, wat over haar komen wou, dacht ze - misschien was het ook maar het beste, dat ze nu volhield tot het einde toe. Ze moest het nu immers weten? Hardnekkig zou ze blijven lopen naast Jaap, en Jaap moest spreken. Ze zou zwijgen, tot hij sprak - tot hij zei, wat hij te zeggen had - of ook zweeg - dat zou genoeg zeggen.

Ze zaten naast elkaar op de grond en keken naar de ondergaande zon. Nora zweeg. Zou Jaap het nu begrijpen, het nu weten? Hoorde hij, hoe de stilte suisde om hen heen? Hoe ze wachtte - hoe ze hoopte - en zweeg hij tòch? Had hij dus niets te zeggen? Maar waarom had hij haar dan meegenomen naar deze top, àls hij haar niets te zeggen had?

'Nora,' zei Jaap haastig, 'ik moet je iets vertellen - een heel groot nieuws - ik ben geëngageerd - met Edine. Ik heb haar verleden week gevraagd, daarom zijn mama en ik er heen gegaan - alles is nu in orde gekomen... Maar het is nog een geheim, een groot geheim, ik had het je nog niet mogen vertellen... Maar ik kreeg plotseling een gevoel, alsof ik het je vertellen moest...'

Met Edine? Vreemd, dat ze nooit aan die mogelijkheid gedacht heeft ze heeft altijd aan Elly gedacht en nooit aan Edine - ze wist, dat mevrouw Reichers het wenste, en toch dacht ze nooit aan Edine van Arlen! Met Edine dus? Ja, nu wist ze alles, wat ze wenste te weten, en Jaap wist... veel, veel meer van haar dan hij weten mocht...

'Jaap,' zei ze haastig, en haar stem klonk heel warm en hartelijk, '0, Jaap! hoe aardig! Ik heb Edine altijd zo lief gevonden, zo hartelijk, zo eenvoudig! Hoe heerlijk, hè? En wat zal je mama in haar schik zijn Edine is altijd een favorietje van haar geweest.'

Zie, dàt had Nora nu niet moeten zeggen, voelde ze, het klonk haar als een insinuatie... ze schrok - ze schaamde er zich voor.

'Ja, mama is heel blij,' zei Jaap kalm, 'ze heeft dit altijd gewenst.'

'En wanneer wordt het publiek?' vroeg Noortje opgewekt. 'Ga je eerst promoveren of wil je vóór je promotie de drukte van het publiek worden achter de rug hebben?'

Jaap wist het nog niet, er was nog zo weinig afgesproken.

Gelukkig, vond Nora, dat het niet zo'n heel lang engagement zou behoeven te worden, niet zo lang als dat van Marie en Mart. Dat leek haar zo vervelend. Een engagement van een jaar, dat vond ze eigenlijk het aardigst. 0, ze kon zich zo goed begrijpen, dat Jaap het gevoel had gehad, alsof hij het haar vertellen moest bij het kijken naar die prachtige zonsondergang, terwijl zijn hart natuurlijk zo vol, zo boordevol werd van Edine. Was de zon ook zo mooi geweest, toen ze daar fietsten door de velden bij Driebergen? 0, en hij behoefde niet bang te zijn, dat ze zijn geheim aan iemand zou vertellen. Zelfs aan Elly niet. Ze vond het juist zo prettig in het bezit van zo'n groot geheim te zijn, iets te weten, wat de anderen nog niet wisten, je voelde je dan zo gewichtig, lachte ze vrolijk. En Edine zou nu natuurlijk nog meer dan vroeger in Esdorp komen. Dat was prettig, iedereen in Esdorp hield van haar. Maar... maar vond Jaap het niet gek?... ze had het helemaal niet verwacht - het was een volkomen verrassing voor haar!

Ze zag Jaap aan, vrolijk, vrij, open, want Noortje was trots en als ze zich een ogenblik voor hem bloot gegeven had - ze was gek, toen ze het deed! - als ze hem een ogenblik had doen denken, dat ze van hem hield, dan zou ze hem zó in de war brengen, zo grondig in de war brengen, dat hij zou gaan twijfelen aan hetgeen hij voor zijn ogen gebeuren zag. Want alles mocht hij van haar denken, alles, behalve dit éne, dat ze hem liefhad!

'Is het niet grappig?' vroeg ze weer, 'dat we daar zo geen van allen enig vermoeden van hadden? Maar kom, de anderen worden al ongeduldig, zie ze wenken, ze zullen niet begrijpen, wat we zo druk met elkaar te bepraten hebben'...

En waarlijk, tante wàs een beetje boos, omdat ze zo lang waren weggebleven, en mevrouw Reichers zag hen beiden aan met een vragend onderzoekende blik, en ze liet grappig hoog en ongenaakbaar haar ontevredenheid aan Noortje voelen.

En Noortje voelde met plotselinge schrik, hoe haar dat ergerde, hoe vreselijk prikkelbaar ze was.

'Het was ook veel te koud, om zo lang stil te blijven zitten,' zei tante boos, 'je ziet bleek van de kou.'

'Ik?' vroeg Noortje verbaasd, en ze voelde met de achterkant van haar vingers aan haar wangen, ja waarlijk, ze moest toestemmen, dat ze koud geworden was. Met beide handen begon ze zich de wangen rood te wrijven. Zó, had ze nu weer een kleur?

Elly keek haar aan. Noortje kon die spottende blik van Elly nooit goed uitstaan. Wat verbeeldde Elly zich? Dacht ze heus, dat er iets was voorgevallen tussen Jaap en haar? Wat een onzin? Er bestond niets, niets tussen hen beiden. En waarom was mevrouw Reichers zo in het oogvallend koel bij het afscheid nemen; dacht ze, dat ze gepoogd had, Jaap voor zich te winnen? Nu, dan kon ze immers gerust zijn, Jaap was immers geëngageerd, en hij was heus niet de jongen om een dwaasheid te doen - en zíj niet het meisje, voor wie iemand een dwaasheid doen zou!

Ze stak haar hand uit en keek mevrouw onschuldig in de wantrou wende ogen. 'Dag mevrouw,' sprak ze kalm.

Maar o, hoe ze inwendig beefde van ellende, van ergernis, van schaamte.

Jaap deed voor zijn moeder het tuinhekje van Rozenhof open en Noortje zag ze samen in druk gesprek verdwijnen, in de veranda. Ze wist wel, waarover ze spraken. Jaap vertelde nu natuurlijk aan zijn moeder, hoe hij Nora het geheim maar verteld had, hij had het wel moeten doen... uit medelijden... ze scheen te denken, dat... Wacht, Noortje moest er eventjes heen, ze moest ze even gaan vertellen, dat ze zich vergisten, als ze misschien mochten denken, dat ze in ernst van Jaap hield,... het was maar zo een bevlieging van haar geweest, een ogenblik van verstandsverbijstering - kijk, ze moest er al weer om lachen - morgen zou ze alles al lang weer vergeten zijn. Bah, ze moesten heus niet zo gewichtig doen over niets - het was zo irriterend...

En zou Jaap het morgen aan Edine vertellen? En zou mevrouw Reichers er mee naar de Copsen gaan? En zou Elly alles begrepen hebben? En zou heel Esdorp het nu weldra weten? Goed, dan moesten ze maar praten, wat ging het haar aan? - maar praten en gissen. Weten deden ze niets. Er was ook immers niets te weten? Niets gebeurd, niets uitgesproken?

Och, och, wat was ze toch dwaas geweest - al die tijd - terwijl ze daar rondliep, en Jaap het hof maakte... en hoopte... en God dwingen wou. En God had op haar neergezien - al die tijd - en Hij had haar daar maar laten rondlopen, als een dwaas, terwijl het feit al beslist was, en God het wist en Jaap...

Ze keek op met een plotselinge beweging van ongeduld. Indien ze op dàt ogenblik in haar voeten de kracht had gehad van Repelsteeltje, die zich in een ogenblik van drift en schaamte door de aardkorst heen, en voor goed weggestampt had... hóe ze gestampt, hoe ze gestampt zou hebben!

'Er is voor mij altijd zo iets diep melancholieks in een zonsondergang,' hoorde ze Marie zeggen - Marie zei in de laatste tijd weer graag diepgevoelde dingen - 'in dat langzaam wegsterven der kleuren, dat vaal en valer worden van die felgloeiende hemel tot een grijze, kille schemering. Het is zo in-droevig, je voelt je dan, alsof al het warme, al het mooie uit je leven wegging... en je staat er bij en ziet het machteloos aan...'

Nora ergerde zich, als altijd, aan Maries aanstellerij:

Mein Fräulein, sein Sie munter,
Das ist ein altes Stück,
Hier vorne geht sie unter
Und kehrt von hinten zurück.

troostte ze haar spottend.

Marie keek verschrikt en diep gekrenkt, maar tante, die nog een beetje boos op Nora was, dat ze haar zo lang had laten wachten, nam de partij van haar dochter.

Marie had groot gelijk vond ze, er wis iets weemoed-plechtigs in een zonsondergang; alle grote dichters hadden dat gevoeld, en als Heine daarmee spotten kon, bewees het alleen, hóe cynisch, hóe ongevoelig hij was. Zíj hield niet van Heine, je kon nooit in Heine lezen, vond ze, of er werd iets goeds in je gekrenkt, altijd liet hij je slechter dan hij je vond.

'Kom, moedertje, de tegenwoordige jeugd is immers al bedorven,' plaagde Elly haar moeder, 'zelfs Heine kan haar niet slechter maken dan ze al is. Het woord, nee het begrip: "plechtig", bestaat eenvoudig niet bij de jongeren. Zelfs de avondstond stemt ons niet plechtig meer.

'En we "sidderen" niet meer bij het "rollen van de donder" en zien niet meer, hoe "de sterren Gods lof verkondigen", noch horen, hoe de zee "van oneindigheid spreekt", en toch...

'Toch zijn ook wij dichters,' had Nora willen zeggen, maar tante viel haar in de rede:

'Dat is dan toch maar jammer,' zei ze enigszins scherp, 'dat alle gevoel van ernst en eerbied zo verloren is gegaan bij de jongeren. Ik kan niet zeggen, dat hun poëzie er bij gewonnen heeft. Godsdienstige eerbied voor de Schepper van al het schone inspireert tot hoger kunstwerken dan spot en cynisme.'

Noortje zweeg, ze voelde, hoe al wat ze op dat ogenblik zeide, tot een onaangenaamheid zou worden.

Maar Elly schertste vrolijk, dat alle mensen van Heine moesten houden of ze wilden of niet. Hij was zo geestig en zo heerlijk sentimenteel! En ze wist heel goed, hoe ook mama in het diepst van haar hart toch wel een klein beetje van Heine hield. - 'Nietwaar, moedertje, maar u wilt er voor ons maar niet voor uitkomen?' plaagde ze.

Toen had tante weer moeten lachen. Elly kon haar altijd weer in een goed humeur brengen, al was ze ook nog zo ontstemd.


Nora verborg het gelaat in de handen en snikte en snikte.

Ze snikte zo heftig, dat ze bang was, dat Marie en Elly het zouden horen in haar slaapkamer naast de hare. Maar och, ze was ook zo bedroefd, zo bang, zo in de war.

Eigenlijk wist ze niet, waarover ze schreide, want er was niets gebeurd die avond, niets, waarover ze bedroefd moest zijn, ze had niets gezegd of gedaan, waarover ze zich zou behoeven te schamen. Ze had zekerheid gekregen, heel toevallig en ongezocht, van iets, dat ze altijd wel had geweten, altijd had behoren te weten. Waarom was ze dan nu zo kinderachtig? Waarom snikte ze dan zo? Was het heus om Jaaps liefde?

Indien het 'nee' is, had ze gezegd, ze zou niet ongelukkig zijn, ze zou het hoofd opheffen en heengaan om te werken. Goed, dat moest ze dan ook nu maar gaan doen. Ze zou niet laf, niet laks meer zijn, niet bang meer voor haar incognito van verstandsmens... en het zou immers heerlijk zijn, weg te mogen gaan uit Esdorp, geen onderzoekende, geen medelijdende blikken meer te hoeven vrezen - veilig te zijn, verborgen bij vreemden! Och, ze zou deze dwaze droom wel kunnen vergeten...

Noortje snikte het uit.

'0 God,' bad ze, 'ik ben zo bang, zo klein, zo in de war. Ik weet niet meer, wat kwaad of wat goed, wat laf of wat flink is. Ik weet niet meer, waarop ik trots moet zijn, en waarover ik me schamen moet. Ik doe het beide tegelijk over één en hetzelfde ding. Ik vind het vreselijk van mezelf, ik ben er beschaamd, maar - ik kan het waarlijk niet helpen, - toch ook zó gelukkig over dat... ik Jaap liefheb...

'Ik ben dwaas geweest, God, ik heb U willen dwingen - en zie, ik ben een kind, dat nog geen stap alleen kan doen zonder verdwalen... Neem mijn hand in uw handen, God, breng me, geleid me, waarheen ik gaan moet. Ik ben nu niet bang meer voor verdriet, ik ben alleen maar bang, me weer te vergissen. Zeg me, wat ik doen moet... moet ik hier blijven? moet ik heengaan? Ik wil alles, ik durf alles, als ik maar weet, dat het uw wil is...'

Ze lag geknield voor haar bed en een wonder-heerlijk gevoel van rust begon nu te komen over haar ziel. Daarom dus had God dit alles gedaan, opdat ze zich geheel aan Hem zou leren overgeven? De trots, de eigenzinnigheid van zijn oproerig kind had Hij gebroken, en nu, 0 nu was het heerlijk, eigen gedachten, eigen oordeel te mogen gevangen geven aan Eén, die voor haar denken en besluiten zou, aan een vergevende liefde, die alles zou goedmaken.

In stille, zoete extase hief ze glimlachend het betraande gezichtje omhoog, zacht fluisterend:

Slechts zelden heb ik, wat ik vroeg, verkregen
Maar dwaling vrees ik meerder dan verdriet,
En met een glimlach heb ik stil gezwegen,
Als Gij mijn wensen onhevredigd liet.
Glimlachend zàl ik zwijgen...

Ja dat zou ze, dat beloofde ze. God moest maar doen, wat Hij wilde en zij zou volgen, gehoorzaam, zwijgend, glimlachend...

En toen ze in bed lag, nog nasnikkend, half van pijn, half van vreugde, dacht ze zich rustig de nieuwe toekomst in. Hoe ze werken zou, ernstig en ijverig. Hoe ze altijd al haar krachten zou inspannen, steeds het beste gevende, wat in haar was. Hoe heerlijk het zijn zou, van de ochtend tot de avond bezig te mogen zijn met werk, dat op zichzelf een genot voor haar was! Het werd haar nu, alsof ze nooit iets anders gewild en gewenst had in haar leven, dan naar de tekenacademie te mogen gaan, om te zien, waartoe ze in staat was...

Toen ze de volgende morgen wakker werd, nog met het gevoel, dat er een heel groot ongeluk gebeurd moest zijn, en toen ze zich bedacht, wàt het was, glimlachte ze even, omdat ze immers had afgesproken, dat er niets gebeurd was, niets veranderd was in haar leven, maar ze zuchtte toch ook en over haar gelaat vloog een donkere blos van schaamte.

Haastig begon ze zich aan te kleden, onderwijl bedenkende, hoe ze haar wensen zou inkleden, hoe ze tante winnen zou voor haar nieuwe plan.

Het had natuurlijk mies te maken met de emancipatie der vrouw, waar tante zo bang voor was, niets met de overtuiging, dat een meisje zich een werkkring moest scheppen buiten het huisgezin en nog minder met het leven-voor-de-Kunst-alleen, wat tante wel iets heel moois en heerlijks vond voor geboren kunstenaars, maar natuurlijk nooit zou goedkeuren in Nora Velt, in iemand van haar eigen omgeving... Eigenlijk stak er helemaal geen kwaad in, dat ze zich wat in tekenen, in schilderen bekwaamde. Immers, als Elly en Marie getrouwd waren, en het zou nog wel een jaar of twee duren eer Marie aan trouwen denken kon - en, als tante dan haar hulp en gezelschap nodig had, zou ze weer bij tante in huis kunnen komen en dan zou het immers een heel aardige, echt vrouwelijke bezigheid voor haar zijn?


Toen ze beneden kwam, vond ze tante en Marie al in de ontbijtkamer. Er heerste een pijnlijke, benauwende stilte en aan de gedwongen antwoorden, die ze ontving op haar voorzichtig verkennende vragen, bemerkte ze, dat er een woordenwisseling tussen Marie en haar moeder moest hebben plaats gehad. Dat gebeurde tegenwoordig bijna dagelijks. Marie was nooit gewoon geweest, haar verontwaardiging of ongenoegen te verbergen en ze was tegenwoordig waarlijk heel ontevreden over de wijze, waarop haar moeder haar had opgevoed.

Die verwijten troffen mevrouw Merlin bijzonder pijnlijk, want, wanneer ze zich over één ding in de wereld trots en gelukkig gevoeld had, dan was het juist over de voortreffelijke opvoeding, die ze haar meisjes gegeven had - vrij, maar toch niet bandeloos, beschermend, maar nergens belemmerend. Hadden haar meisjes niet schaatsen gereden, getennist, gefietst lang voor andere meisjes er aan dachten? - had ze niet een vrije, ongedwongen omgang tussen jongens en meisjes aangemoedigd in de tijd, toen de verhouding nog zo stijf placht te zijn? En had ze geen succes gehad met haar dochters? Wat wilde Marie dan meer? Hoe kon ze haar nu van conventionaliteit, van achterlijkheid beschuldigen, haar, die al vooruitstrevend en modern was geweest, toen Marie nog in de wieg lag? Nee, als ze Maries buitensporige denkbeelden afkeurde, dan was dat niet, omdat ze nieuw waren, maar doodeenvoudig, omdat ze verkeerd, omdat ze onnatuurlijk en onvrouwelijk waren... Er wàs nu eenmaal verschil tussen man en vrouw, dat zou altijd zo blijven...

Marie had die morgen haar denkbeelden over het huwelijk ontwikkeld en daar ze voelde, voor haar stoute, baanbrekende gedachten, zoal niet overal instemming, dan toch altijd bewondering te kunnen eisen, was ze heel boos en ongelukkig geworden, toen ze hij haar moeder niets dan afkeuring en minachting en verontwaardiging ontmoette.

'Het is,' begon ze weer, 'omdat u, bevangen in uw ouderwetse tevredenheid, de grote gebreken der tegenwoordige maatschappij niet zien kunt - omdat u, in uw conventioneel zedelijkheidsgevoel, in uw angstig hechten aan maatschappelijke vormen, niet begrijpen wilt, hoe onhoudbaar de positie van de getrouwde vrouw is, hoe groot het aantal van haar, die alleen uit angst voor de publieke opinie de banden niet verbreken, die ze al lang verbroken zouden hebben, indien nog enig gevoel van eerlijkheid, van eigenwaarde in haar overgebleven was. Maar daarom moet dan ook de getrouwde vrouw onafhankelijk, geldelijk onafhankelijk worden van de man. Indien dan de liefde is heengegaan...'

Elly kwam binnen, als altijd de laatste aan het ontbijt, maar fris en dwaas en vrolijk. Even keek ze verbaasd bij Maries hartstochtelijke woorden, maar deze, bang voor Elly's spot, zweeg plotseling stil.

'Wat dan?' vroeg Elly, 'wat dan als de liefde is heengegaan?'

'Niets,' zei Marie wrevelig.

'Het begon zo mooi,' vond Elly teleurgesteld, 'net het begin van een nieuwerwetse roman: "de liefde kwam, de liefde was heengegaan" - zo maar, als een eenvoudige gebeurlijkheid des levens geheel buiten verantwoordelijkheid van de mensen bij wie ze kwam, bij wie ze heenging, maar daar kan het toch niet mee uit zijn, Marie?'

'Ik weet niet meer, wat ik daareven zeggen wou,' bromde Marie, 'als je me ook zo ineens in de rede valt... en het komt er ook niet op aan ook...

'Komt dat er niet op aan?' vroeg Elly verbaasd. 'Nu ik vind dan, dat het tegenwoordig een ernstig punt van overweging dient te zijn voor ieder meisje, dat aan trouwen denkt: Wat dan, als de liefde is heengegaan?'

'Toe Elly,' smeekte mevrouw.

'Wat is er mama?' vroeg Elly argeloos, op een toon, alsof ze het iedereen graag naar de zin zou willen maken. 'Zou u het vervelend vinden, als Willem en ik gingen scheiden? Misschien jammer van al de omslag, van de onkosten?'

'Ik wou, dat je zulke nare dingen niet zei, het onderwerp is te ernstig om gekheid over te maken,' zei tante ongeduldig.

'Wat bent u toch gemakkelijk te plagen, moedertje!' lachte Elly vrolijk. 'Maar u behoeft u over ons niet ongerust te maken - de liefde tussen Willem en mij; gáát niet weg.

'Dat is gemakkelijk gezegd,' sputterde Marie, 'zo spreken alle mensen, als ze pas geëngageerd zijn en nog illusies hebben over de eeuwigheid der liefde. Later zien ze ook wel, dat de liefde niet iets blijvends is... niet bestemd is om te blijven.'

'Hoe zien ze dat?' vroeg Nora belangstellend.

'Dat zien ze, zodra ze onbevooroordeeld om zich heen zien in de wereld, dat voelen ze, zodra ze zich de moeite geven na te denken over zichzelf.'

'En dat heeft Tollens al zo treffend uitgedrukt in zijn: "Niet steeds is de liefde bestendig van duur, hoe fel ze de boezem doet jagen,"' spotte Elly.

Marie wierp haar een minachtende blik toe.

'Als de liefde niet blijvend is,' begon Nora half lachend, half ernstig, 'volgt daar toch niet uit, dat ze niet bestemd was, om te blijven. Als ik onbevooroordeeld rondzie, en opmerk, dat de mensen oneerlijk zijn, en afgunstig, dat ze hun ouders niet eerbiedigen, dat ze kwaad spreken van elkaar, dat ze zondigen tegen alle tien de geboden, dan maak ik daar toch niet uit op dat de mensen niet bestemd zijn om eerlijk en edelmoedig te zijn - ouders niet bestemd om geëerbiedigd te worden.'

'Ik geloof toch wel, Noortje, dat we bestemd zijn om kwaad van elkaar te spreken,' peinsde Elly, 'ik merkte gisteren nog op, met welk een virtuositeit ik het deed. Het gaf me een rust, een opluchting zoals alleen iemand voelen kan die aan de wetten van zijn wezen gehoorzaamt...

'Elly,' zei Noortje streng. 'Als ik jou bijval, behoor jij me niet af te vallen, je hebt geen begrip van solidariteit.'

'0,... neem me niet kwalijk,' deed Elly verschrikt. 'Ik wou maar zeggen... dat je groot gelijk had. Wat beweerde je ook weer? Je betoogde immers de geldigheid van de tien geboden.'

'Ik betoogde de redelijkheid van de bijbelse eis: Gij zult liefhebben... het eerste en het hoogste gebod.'

'Die eis spreekt alleen over de christelijke liefde tot God en je naaste,' beweerde Marie met een minachting, als kon zulk een kleinigheid als 'de christelijke liefde tot God en je naaste' natuurlijk wel van ieder mens geëist worden. 'Ik sprak over de verhouding tussen man en vrouw.'

'En ik wou er maar op wijzen,' zei Noortje, 'dat die eis ons verantwoordelijk stelt voor ons liefdegevoel in 't algemeen.'

'Dan is die eis onzin,' beweerde Marie hartstochtelijk. 'Liefde is nooit te gebieden... Je kunt er immers niets aan doen, van wie je houdt?... Dat weten jullie even goed als ik. Dat weet, dat voelt iedereen. Het is flauw, het is kinderachtig iets anders te willen beweren.' Maries waarheid was, als altijd, zó evident voor haar, dat ze niet aan de goede trouw van haar tegenpartij kon geloven.

En daarom ook, ging ze voort te betogen, mocht niemand liefde eisen, niemand liefde beloven, ook in het huwelijk niet. Dan eerst, als de liefde geheel vrij en niet aan beloften gebonden was, als ieder de voortduring van de liefde van de ander niet als een recht, en het weggaan der liefde als een smart en niet als een onrecht voelde, dan eerst zou het huwelijk volmaakt kunnen zijn. Dan zou tussen de zielen die reine, koele, vrije ruimte bestaan, waarin ieder zich met volle vrijheid zou kunnen bewegen.

'Als ik,' viel Elly in, nu ook warm geworden, 'als ik de liefde van Willem als een geluk beschouwde, dat ieder ogenblik eindigen kon, hoe bang zou ik zijn, door woord of daad of enig verzuim aan mijn kant dat geluk te verstoren! Juist, omdat ik weet, dat die liefde niet heen gaan kan, blijven moet, onafhankelijk van mijn woorden en daden, - zolang ik blijf, die ik ben, en hij blijft die hij is, juist daarom bestaat tussen ons die vrije, koele ruimte, die ik nodig heb om adem te kunnen halen. 0, de ellendige slavernij van verbintenissen, die niet voor het leven gesloten worden. Liefde moet blijven, Marie... alleen de liefde, die op een dwaling berust, gaat voorbij met die dwaling.'

'Alle liefde berust op een dwaling,' zei Marie bitter.

'Maar kinderen,' protesteerde mevrouw Merlin geschokt. 'Wat zijn dàt nu voor onderwerpen om over te spreken!'

Elly ontmoette de verschrikte blik van haar moeder en begon vrolijk te lachen.

'Maar had ik geen gelijk, mama? Is zó ook niet de liefde tussen ons? Plaag ik u niet altijd door met mijn lichtzinnige praatjes? En kàn de liefde tussen ons heengaan?'

Mevrouw wierp haar dochter een dankbare blik toe.

'Moederliefde is iets bijzonders,' zei Marie scherp, 'die is eeuwig.'

'Alle liefde is eeuwig,'... zei Nora zacht. 'Behalve die, die als een schande gevoeld wordt,' voegde ze er haastig aan toe.

'Ik kan me niet begrijpen, dat iemand, die waarlijk van iemand houdt, over liefde zou kunnen spreken, zoals Marie doet,' merkte mevrouw op, streng en droevig.

Ongeduldig trok Marie de schouders op. Onbegrepen voelde ze zich, en verongelijkt, verpletterd door de meerderheid, niet overtuigd. 0 ja, het klonk alles heel mooi, dat praten over de eeuwigheid der liefde, maar ze wist immers dat het niets anders was, dan onwaar idealisme? Ze wist immers uit eigen ondervinding, hoe alle liefde, ook de mooiste, ook de hoogste, heengaan kon. En terwijl ze zwijgend verder ging met haar ontbijt, zat ze bij zichzelf een geheel nieuwe, volkomen onweerlegbare verdediging van haar opinies op te bouwen... maar die hield ze voor zichzelf.

'Heeft de Post niets gebracht?' vroeg Elly.

'0 ja, een brief voor jou,' zei mevrouw Merlin, en haastig zocht ze onder de kranten naar de brief, die ze vergeten had, te geven. 'Hier.'

'Van Willem,' zei Elly verontwaardigd, 'en die geven ze me niet eens.'

Verlangend brak ze de brief open - en het scheen Nora, terwijl ze Elly's gelaat, nog opgewonden-ontroerd door de heftige woordenwisse ling, zag glanzen van blijde verrassing, dat Elly misschien toch, onbewust, goed had gekozen. Alleen haar bewuste overleggingen waren verkeerd geweest.


Een week later was het nieuws van Jaaps engagement in wijde kring bekend. Op Ekedal werd over niets anders gesproken.

Dat voelde Nora als een heerlijke rust en veiligheid, als een weerlegging van haar angst, dat heel Esdorp het begrepen moest hebben. Immers, als de mensen haar dwaasheid wisten, zouden ze het onderwerp vermeden hebben in haar bijzijn!

'Ik had nooit gedacht, dat Jaap Edine zou vragen,' zei Marie. 'Ik heb nooit gemerkt, dat hij iets bijzonders voor haar voelde.'

'Maar wèl, dat Edine iets voor Jaap voelde,' lachte Elly, 'ze lag al voor hem op de knieën, toen ze veertien was. Ze verafgoodde alles, wat met hem in betrekking stond... zelfs zijn moeder.'

'Dat is niets bijzonders,' verdedigde Noortje Edine. 'Mevrouw kan allerliefst zijn, als ze wil. Iedereen kan ze voor zich innemen. En dat Edine een beetje met Jaap gedweept heeft, zegt ook niets, dat hebben alle Esdorpse meisjes op hun tijd gedaan.'

'Maar het is toch vreemd, dat hij vroeger nooit iets voor haar gevoeld heeft, en nu opeens zo dol op haar zou zijn,' hield Marie vol.

'Dat is immers juist het kenmerk van de liefde,' vroeg Nora rustig, 'dat ze plotseling komt? "Sie kommt und sie ist da."'

'Het spijt me toch,' peinsde Elly ontevreden, 'dat mevrouw Reichers haar zin krijgt. Zo lief, zo naïef, zo vragend en insinuerend heeft ze het er altijd op afgestuurd... Ik dacht niet, dat Jaap zich zo zou laten bedoen.'

'Maar als Jaap nu toch houdt van Edine?' vroeg Nora ongeduldig, waarom mag dit nu weer zijn eigen keus niet zijn?'

'Ze is zo schrikkelijk ondiep en oppervlakkig,' oordeelde Marie. 'Het is volstrekt onmogelijk, ernstig met haar te praten. Ik heb haar nog nooit over iets anders horen spreken, dan over de meest alledaagse dingen.'

'Dan kun je ook niet over haar diepte oordelen,' meende Nora, die altijd boos werd, als Marie iemand dorst beschuldigen van oppervlakkigheid. 'Voor je iemand ernstig hebt horen spreken over diepe dingen, weet je niets van zijn oppervlakkigheid af.'

'Maar ik meen...' begon Marie.

'Kom,' zei Elly luchtig, 'oppervlakkigheid is zo erg niet in een rijk, aanzienlijk freuletje, als een man daar niet over heen kon stappen!'

Noortje ergerde zich aan die laffe insinuatie.

'Edine is lief en goed genoeg om niet om haar geld, maar om zich zelf genomen te worden.'

'Lief en goed is ze,' gaf Elly toe, 'verbazend goed, maar ook... verbazend dom. Maar misschien is juist dat hetgeen Jaap aangetrokken heeft? Nooit zal ze een man het gevoel van eigen inferioriteit geven... en toch ook nooit zal ze zich belachelijk maken in gezelschap, daar is ze te tactvol, te welopgevoed voor... We zullen dus maar zeggen, dat Jaap in ieder opzicht de verstandigste keuze heeft gedaan, niet waar, Noortje?'

'Dat weet ik niet,' zei Nora kalm, 'maar wèl weet ik, dat niemand het recht heeft, hem ter verantwoording te roepen voor zijn keuze.'

Verwonderd keek Elly haar aan en Noortje kreeg een kleur.

Mijn hemel! Waarom deed ze dan ook zo dwaas, wat ging het haar aan, wat de mensen van Jaap en Edine beweerden, waarom babbelde ze niet mee met de anderen? Wat voor nut deed het Jaap en Edine of zíj ze verdedigde, wat voor nadeel of ze een beetje kwaad van ze sprak?



Uit: Jacqueline E. van der Waalspagina - Verzameld proza, verzameld en ingeleid door Henk van der Ent, Uitgeverij de Groot Goudriaan, Kampen, 1996; Noortje Velt, 1901, F. Bohn Haarlem

[Deel XII] [Jacqueline E. van der Waals pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.