Noortje Velt

Jacqueline E. van der Waalspagina

XII

[Deel XI]

Noortje kwam thuis van het tennisveld. Met haar tennisracket in de hand keek ze vrolijk, haast overmoedig rond. Zoals ze daar liep met vlugge, veerkrachtige tred, de wangen gekleurd door de inspanning, de ogen nog vol van de pret van het spel, zag ze er waarlijk gezond en gelukkig uit. Dat voelde ze zelf, en daarin liep ze zich nu te verheugen.

Boven haar straalde de zomerhemel, waar het blauw tussen het zwartgroen der sparretakken doorscheen, onwaarschijnlijk donker, haast hardblauw van kleur; lichter getint in de wijdte, waar de lucht het lichtere groen der loofbomen omgaf. Maar overal was de hemel van een prachtig, diep-effen blauw, van een wonderbare lichtdiepte, die het hart juichen deed, terwijl de ogen staarden. Hoog boven de kerk vlamde het haantje van de toren, alsof het licht zich daarop afgezet had, neerge slagen uit de oververzadigde lucht. Noortje keek er naar, maar toch... nee, het was niet de vreugde van die kleine gouden juichkreet, die haar zo gelukkig maakte, het was de effen zaligheid van dat mooie, diepe blauw.

'Zou er wel iets in de wereld in staat zijn, mijn plezier in prettige dingen te bederven?' vroeg ze zich met een glimlach. 'Als je vreselijk veel geniet van alle mooie dingen om je heen, van alle prettige dingen, die je doen kunt,' peinsde ze, 'geloof ik niet, dat je ooit echt zenuwziek zou kunnen worden... Zolang ik mijn fiets en mijn racket nog heb, en de zon en de blauwe lucht, zolang ik nog niet hulpbehoevend ben geworden of blind, zolang zal ik genieten van alles, wat heerlijk en mooi is, en... ik laat me door niets en niemand mijn vreugde bederven.'

Mevrouw Reichers was daar straks, toen Nora aan het spelen was, op het tennisveld komen kijken. Vriendelijk had Noortje haar toegeknikt en bezeten door de wil te overwinnen, had ze zichzelf overtroffen in haar spel. Toen was ze mevrouw tegemoet getreden, vrolijk en onbevangen - maar mevrouw had als altijd een beetje stijfjes gedaan...

Onwillekeurig fronsten zich nu Noortjes wenkbrauwen in toornige dreiging. 'U moest daar nu maar mee ophouden, mevrouw Reichers,' dacht ze ironisch, 'ziet u zelf niet, hoe dwaas die houding van beledigde majesteit is? Indien ik per ongeluk mijn hand heb uitgestrekt naar Jaap, juist op het ogenblik, dat Edine, uw favorietje, de hare uitstrekte, dan heb ik immers dadelijk mijn hand teruggetrokken? - dat doe ik altijd, als iemand grijpt naar hetgeen ik wens te bezitten,... natuurlijk... uit beleefdheid.'

Haar lip trilde even, als in pijn. 'Het is misschien toch maar goed, dat ik heen ga,' zei ze, 'het is zo moeilijk, altijd te voelen, dat je je verdedigen moet, altijd iets te zeggen te hebben, en het nooit te kunnen uitspreken... en het zal zo heerlijk veilig zijn, alleen onder vreemden.'

En plotseling in het intense gevoel van moeheid, dat volgde op de opwinding van het spel, voelde ze haar gezichtje heel smal en bleek, zag ze weer de donkere kringen onder haar ogen, die haar die morgen voor de spiegel zo geërgerd hadden, voelde ze weer over zich komen die schreiende behoefte naar eenzaamheid, die haar soms verschrikte met een onredelijk groot vreugdegevoel, zodra ze zich een ogenblik, waar dan ook, alleen vond.

'Ik mag er niet aan toegeven,' fluisterde ze angstig, 'maar ik geloof wel, dat ik hier vandaan moet.'

Ze had met tante nog niet over haar plannen gesproken. Het was zo moeilijk, er over te beginnen, vond ze, en toen had ze zich ook bedacht, dat het veiliger zou zijn, te wachten tot de mensen wat uitgepraat zouden zijn over Jaaps engagement, opdat ze niet, zijn engagement en háár vertrek in één adem noemende, verband tussen beide feiten zouden zoeken. Dwaas toch, dat ze het zo moeilijk vond te spreken over iets zo dood-gewoons!

Toen ze dicht bij huis kwam, begon ze zich er over te verwonderen, waarom Marie niet op het tennisveld gekomen was. Marie was thuis de post blijven afwachten, maar ze had beloofd, dat ze dadelijk komen zou en de brieven meebrengen, als er iets voor Nora bij was. Waarom was ze niet gekomen?

Ze vroeg het aan Elly, toen ze de huiskamer binnentrad en daar Marie niet vond. Elly wist het niet, ze had met Willem visites gemaakt en Marie helemaal niet gezien die middag, ze had gedacht, dat ze aan het tennissen was. Maar mevrouw Merlin had haar wel gezien, in de tuin, zei ze, met een brief, en toen was Marie naar boven gegaan, naar haar kamer en niet weer beneden gekomen... Mevrouw had zich ook wel verbaasd, waarom Marie niet was gaan tennissen, maar ze had gedacht, dat ze misschien brieven te schrijven had...

'Ik vrees,' voegde ze er angstig aan toe en er kwam een uitdrukking van onrust in haar zorgelijke ogen, 'ik vrees, dat het tussen haar en Mart niet helemaal in orde is.'

'Ik zal eens gaan zien, wat ze uitvoert,' zei Nora luchtig. 'Ik moet toch naar boven.'

Ze vond Marie op haar kamer, bezig een brief te sluiten, die ze juist geschreven had. Op tafel lag een hoop verscheurde, blijkbaar afgekeurde brieven.

Ze schrok, toen Nora binnenkwam en keek haar wantrouwend aan met ogen, die geschreid hadden.

'Is er iets?' vroeg Nora verlegen.

Tot enig antwoord begon Marie opnieuw te schreien, eerst zacht, toen heftiger.

Verlegen nam Noortje een stoel, en zette zich aan het andere eind der tafel.

'Is het om Mart?' vroeg ze eindelijk. Marie keek op.

'Ja,' knikte ze, en daar barstte het plotseling los, al haar opgekropt verdriet. Ja, het engagement was af, ze had hem afgeschreven, ze had nu eindelijk genoeg van de manier, waarop Mart haar behandelde. Ze wist al lang, dat hij niets meer om haar gaf. 0, ze was zo ellendig, zo diep ellendig geweest, al die tijd! Nooit had Mart werkelijk om haar gegeven, nooit zoals zij van hém gehouden had. Alle mannen waren egoïst, ze dachten altijd alleen om zichzelf, ze dachten, dat de vrouw bestond om hen te bewonderen, hen lief te hebben, te dienen. En kunstenaars waren nog erger dan de anderen, die offerden alles aan zichzelf en hun kunst...

'Maar Marie,' trachtte Noortje die overstelpende woordenstroom te breken. 'Nee heus, dat mag je niet zeggen, dat is niet waar. Mart heeft wel degelijk van je gehouden, houdt misschien nog wel van je. Heus, de fout ligt niet helemaal aan hem. Je bent ook niet altijd lief tegen hem geweest. Je eiste soms zoveel, je hebt altijd zo heel veel bewondering gewenst. Misschien heeft hij je een klein beetje verwend in het begin...

'Mart mij met bewondering verwend?' vroeg Marie bitter. 'Als ik ooit bewondering heb geëist, ik heb ze nooit gekregen. Nee, als ik ooit veeleisend ben geweest, dan was het juist, omdat ik voelde, te weinig te ontvangen. Dacht je dat Mart ooit tegen me heeft opgezien, ooit iets heeft gegeven om mijn oordeel? Dacht je, dat hij ooit ernstig met me gesproken heeft? Tegen me gesproken heeft hij... ik mocht naar hem luisteren, ik mocht hem bewonderen als hij sprak, ik mocht in hem geloven, als hij vertelde van zijn werk, van zijn hoop, van zijn plannen. Denk je, dat hij me ooit naar mijn plannen heeft gevraagd, dat mijn oordeel ooit iets bij hem gewogen heeft? Ik was immers maar een vrouw, die mogen geen eigen leven hebben, die moeten geheel opgaan in het leven van haar man... In 't begin heb ik dat zo niet gemerkt, alles was me toen nog zo nieuw, zo mooi, 0, ik heb toen zó veel van hem gehouden, dat ik alles in hem bewonderd heb! Ik was ook nog zo jong!... Maar later, toen ik wat ouder werd en mijn eigen oordeel zich begon te vormen, toen ik het soms waagde hem tegen te spreken... 0, God, hoe dikwijls heb ik toen gehuild over de spot, de minachting, de hoon, waarmee hij verwierp, wat mij toch heilige ernst, diepe overtuiging was... En waarom zou mijn overtuiging niet evenveel recht van bestaan hebben als de zijne?'

'En jullie thuis?... jullie waren al net zo. Moeder in haar zelfgenoegzaamheid, haar bekrompenheid, die het altijd aan het rechte eind meent te hebben - en Elly met haar spot, - en jij... jij ook al, Noortje. Ik ben zo diep, diep ongelukkig geweest en jullie leefden maar voort in je eigen belangen, je eigen opvattingen, en je gaf je nooit eens moeite mij te verstaan, te komen in hetgeen ik beweren wilde. Jullie lachten maar ... en het was toch heus geen onzin, wat ik beweerde. Andere vrouwen, bekende, hoogstaande vrouwen beweren precies hetzelfde - en de mensen dwepen met haar boeken. Maar natuurlijk! Wat wijsheid is bij haar, wordt onzin, zodra ik het uiten durf! 0, als je eens wist, hoeveel verdriet ik er over gehad heb, altijd zo miskend te worden, als je eens wist, hoe eenzaam ik geweest ben, hoe ik gesmacht heb naar een beetje sympathie... Maar niemand bekommerde zich over mij, niemand, die me ook maar ooit naar mijn verdriet gevraagd heeft!...

Noortje zat verlegen voor zich te kijken, onder die stroom van klachten en verwijten, die ze grotendeels gegrond wist. Ze voelde zich schuldig tegenover Marie, maar wat kon ze doen?... waar mensen niet met elkaar sympathiseerden, wat anders konden ze daar doen, dan de betwiste punten laten rusten en het eens worden, het oneens te zijn?

'Ik kan toch niet helpen, Marie,' verdedigde ze zich, 'dat ik de boeken niet bewonder, die jij bewondert, dat ik het niet altijd eens was met de "hoogstaande" vrouwen, wier opinie je aanhaalde?'

'Ik wil ook niet, dat je het met me eens zult zijn, ik wil alleen maar, dat je zult erkennen, dat het geen onzin was, wat ik sprak. Ja, ik weet wel, dat jij wel eens ernstig met me gesproken hebt en daar ben ik je dan ook altijd heel dankbaar voor geweest. Maar zie je, wij zijn zo weinig gemaakt om elkaar te verstaan. Jij, zo kalm en koel, zo verstandig, alles wegend met je kritiek... en ik zo hartstochtelijk, zo impulsief, - jij zo tevreden met dit leventje in Esdorp, zo echt conventioneel-goed, met je oude christelijke moraliteitsbegrippen, en ik, ik zo zoekend... zo heel anders dan jij. Ik weet wel, dat je het niet helpen kon, - dat je me miskennen moest, maar o, je weet niet hoe hard het is, altijd alleen te staan in je omgeving...'

'Alle mensen zijn alleen en onbegrepen,' begon Nora zacht, 'mensen bereiken elkaar nooit... en er is maar één middel, miskenning te voorkomen en dat is: incognito te leven. Wie incognito is, is veilig voor miskenning...' Ze glimlachte even om die onwillekeurige zelfbekentenis. 'Maar eenvoudige mensen doen anders,' voegde ze er ernstig bij. 'Die zeggen eenvoudigweg, al wat ze denken en voelen zonder daar iets bijzonders in te vinden - en ze verzwijgen eenvoudigweg, al wat niet gewenst wordt, zonder te denken, dat de wereld of hun omgeving iets armer door hun zwijgen is...

'Maar ik heb nooit gedacht, dat mijn woorden iets bijzonders waren,' snikte Marie, wanhopig. 'Ik wou maar, dat jullie inzagen, dat het geen gekkenpraat was. Het was Mart, die mijn bewondering eiste, niet ik, die de zijne vroeg.'

Noortje zweeg ten einde raad.

'Als jullie het nog weer eens helemaal opnieuw met elkaar wou proberen,' veronderstelde ze. 'Je was nog zo jong, toen je elkaar ontmoette. Je hebt het niet ernstig genoeg genomen met je liefde. Je dacht, dat liefde niets dan vreugde was, niet ook plicht.'

'Nee, nee,' riep Marie hartstochtelijk. 'Mijn liefde is ernstig genoeg geweest. 0, zo groot, zo ernstig! Maar nu is ze dood, en niets kan haar weer in het leven terugbrengen. Mart met al zijn mooie, nieuwerwetse ideeën voelt op slot van rekening net zo ouderwets als mama. Alle mannen voelen ouderwets. Zij kunnen niet begrijpen, dat een vrouw iets anders in de wereld te doen heeft, dan op te gaan in hun werk, dan als Dora in David Copperfield de pennen voor hen vast te houden... en àls Mart dan nog maar iets tot stand bracht, maar hij doet niets - hij komt niet eens door zijn examens - nee, ik ben zelf een mens zelf wil ik leven, iets worden, iets uitvoeren in de wereld...

Er heerste een ogenblik stilte; Noortje begreep nog niet dadelijk, waar Marie heen wou.

'Ik weet nog niet precies, wat ik wil gaan doen,' peinsde Marie, 'ik heb er nog niet voldoende over nagedacht - maar dat weet ik wel, dat ik hier vandaan moet. Dat ik hier stik in deze omgeving van bekrompen kleingeestigheid, in dit kleine kringetje van Esdorpse belangen waar iedere kleinigheid wordt uitgesponnen tot een wereldgebeurtenis. 0, hoe ze nu weer babbelen, hoe ze kletsen zullen over Mart en mij...'

'Zou je niet een poosje naar tante Lize kunnen gaan? Ze zou het zeker prettig vinden, als je kwam.'

'Dat is het niet, wat ik nodig heb,' zei Marie, nu een beetje kalmer. 'Ik wil geen afleiding, ik wil werk, nuttig werk. Ik ben al lang beschaamd geweest over het leven, dat we hier leiden, dit lege, futiele jongemeisjes bestaan. Een nuttige plaats wil ik bekleden in de maatschappij - niet langer als een parasiet leven van geld, dat ik niet zelf verdiend heb.'

'Over dat geld zou ik me zo moeilijk niet maken, Marie, maar als je nuttig wilt zijn, blijf dan thuis. Geen betaalde ziekenverpleegster zou voor tante kunnen doen, voor haar geluk, voor haar gezondheid, wat jij voor haar doen kunt.'

Marie haalde haar schouders op. 'We behoeven mama toch niet met ons drieën op te passen?' vroeg ze, en bitter voegde ze bij: 'En ik geloof ook niet, dat ze zo heel erg op mijn gezelschap gesteld zou zijn.'

'Dat zou alleen van je zelf afhangen.'

'Mijn hemel,' riep Marie verontwaardigd. 'Jullie doen altijd, alsof het mijn schuld was, dat het niet gaat tussen mama en mij. Ik kan het toch niet helpen, dat ze alles afkeurt, wat ik doe. Ze behandelt me als een klein kind, dat zich in alles naar haar luimen moet schikken. Maar ik wil niet als een onmondige behandeld worden... Als ik maar wat jonger was, dan wist ik wel, wat ik deed, dan zou ik voor dokter gaan studeren, zoals Jan, - maar nu - nu is het te laat. Nu ben ik te oud, te moe, nu zou ik niet meer kunnen studeren, nu mijn werkkracht zo lang braak gelegen heeft. Nu zal het wel het beste zijn, dat ik maar verpleegster word. Het is het enige wat wij worden kunnen met onze opvoeding.'

'Zou je daar roeping voor hebben, Marie? Verpleegsters moeten zich kunnen schikken naar de luimen van anderen, moeten niet voor zich zelf willen leven.'

'Ik wil ook wel voor anderen leven, maar ik wil dat vrijwillig, onafhankelijk doen. Vreemden beschouwen hun verpleegsters niet als onmondige kinderen. Mama eist dingen...'

'Ook wat geëist wordt, kun je vrijwillig doen.'

'Natuurlijk, dat maak je jezelf wijs, wanneer je bang bent voor de strijd. Nee, ik wil niet langer als een kind behandeld worden. Ik heb ook plichten tegenover mezelf. En wat mama betreft... ze heeft jou toch immers nog?... Of had je ook andere plannen?' vroeg ze achterdochtig.

Noortje glimlachte. 'Je hebt gelijk,' zei ze, en voor jou én voor tante is het beter, dat je een poosje van huis gaat. Ik vergat, dat iemand, die bedroefd is, behoefte heeft aan werk.'

'Maar nu zul je weer eens zien, welk een storm er zal opgaan, als ik met mijn plannen voor de dag kom,' zei Marie schamper.

'Dat komt, omdat je ook overal een beginselkwestie van maakt,' meende Noortje, 'de emancipatie der vrouw zou hier gerust buiten kunnen blijven.'

Toen Noortje naar beneden liep, om de droeve tijding aan tante en Elly te vertellen, glimlachte ze.

'U houdt me wel aan mijn woord, God,' sprak ze kalm.

Glimlachend zal ik zwijgen met gerust
Vertrouwen op uw hoger, wijzer oordeel...

'U hebt voor me besloten, terwijl ik nog weifelde... Het is nu maar goed, dat ik nog niet gesproken heb, niet geloofd heb aan mijn roeping. Marie en tante kunnen hier niet samen alleen blijven.'


Noortje wandelde met tante in de tuin.

Ze had zo gedacht, zei ze, dat het misschien goed voor Marie zou zijn, als ze eens een poosje van huis ging. Ze moest wat afleiding, wat bezigheid hebben, iets wat haar gedachten in beslag nam. Met al die drukte voor Elly's aanstaand huwelijk zou ook het verblijf in Esdorp wel heel moeilijk, wel heel pijnlijk voor haar zijn. Zou tante niet iets geschikts voor haar weten?

'Ze zou natuurlijk een poosje naar tante Lize kunnen gaan, maar daar zou ze niets om handen hebben...

'Nee, en dan de gehele dag tijd, om aan Mart te denken... Zou het misschien niet mogelijk zijn, dat ze een poosje ging helpen in een ziekenhuis of zoiets? Het zien van alle droefheid en ellende om haar heen, zou haar misschien haar eigen verdriet een beetje doen vergeten...'

'Zou ze dat willen?'

Noortje dacht van wel, Marie scheen er daarnet wel oren naar te hebben.

'Heb je er haar al over gesproken?'

'Ze sprak er zelf van, maar ze wist niet, of u het goed zou vinden. Ze dacht wel, dat afleiding, dat hard werken haar goed zou doen. Zou u niet eens naar haar toe willen gaan, en wat met haar praten en haar geruststellen op dat punt. Ze trekt zich het verlies van Mart wel heel erg aan, tante, ik geloof, dat ze behoefte heeft aan wat troost, aan wat vriendelijkheid...

'Het is een ongelukkige geschiedenis geweest van het begin af aan. Ik ben altijd tegen het engagement geweest,' zei tante, maar ze ging toch naar binnen, naar Marie.

Een ogenblik later zag Nora moeder en dochter samen zitten op de sofa in de huiskamer. Marie had het snikkende hoofdje aan tantes borst gevlijd.

'Stil, stil toch, kindje,' hoorde Nora tante zeggen, zacht-sussend het verdriet van haar dochtertje. 'Je moet niet zo schreien, kind, je zult je nog helemaal overstuur maken. Je mag immers net doen, wat je wilt, wat je zelf voelt nodig te hebben. Je bent wat overspannen geweest de laatste tijd, wat verdrietig, wat prikkel baar. Stil, kindje, stil, morgen praten we over alles. Rust nu maar.

'Tante,' zei Nora die avond, toen ze afscheid nam om naar bed te gaan, 'we zullen het stil hebben met ons tweetjes, als Marie en Elly uit huis zijn.'

'Ja,' zei tante met een glimlach, 'en wat moet ik doen, als jij ook heen gaat?'

'Ik ga niet heen - ik blijf bij u.'

'Dat weet je niet kind, daar is nog niets van te zeggen, je kunt trouwen, je kunt...'

'Daar is weinig kans toe,' glimlachte Nora, en ze bedacht, hoe nog nooit iemand haar ten huwelijk gevraagd had.

'Dwaasheid,' zei tante, 'als de rechte maar komt... Maar je zult er toch wel eens ernstig over moeten gaan denken, wat je nu met je leven doen wilt. Je bent nu meerderjarig. Oom Henri en ik hadden er al eens ernstig met je over willen praten. Je bent onafhankelijk. Ik kan niet verwachten, dat je je hele leven bij mij blijven zult.'

'Dat was ik toch van plan, tante, als u het goed vond.'

'Niet voor mij kind, niet...'

'Tante, als Elly eens niet getrouwd was, zou u haar dan ook van huis sturen?'

'Dat is wat anders, Elly is mijn eigen kind. Maar jij bent vrij om te gaan, waarheen je wilt. Het zal hier saai worden op Ekedal - voor een jong meisje.'

'Weet u nog tante, die avond, toen ik hier op Ekedal kwam - hoe u toen bij mijn bed zat - en hoe u zei, mij te zullen liefhebben als uw eigen kind, en hoe ik u beloofd heb, u als mijn moeder te zullen beschouwen? U hebt nooit verschil gemaakt tussen mij en uw eigen meisjes - dáárom tante, durf ik u ook nù de vervulling van die belofte eisen. Welke plichten heeft Elly, die ik niet heb?'

Ze zweeg even.

'Indien ik ooit ga denken,' sprak ze langzaam, bijna plechtig, 'dat ik eigenlijk ander werk in de wereld doen moest, - als ik iemand lief krijg, als Jan of Henri me meer nodig mochten hebben dan u, wees dan niet bang, tante, dat ik iets zal opofferen aan een verkeerd begrepen gevoel van plicht. Maar... maar laat me voorlopig bij u mogen blijven, tante.'

'Zeker kind,' zei tante vriendelijk, 'zolang je een tehuis nodig hebt, zul je het altijd bij mij vinden.'

'Dank u,' zei Noortje met een glimlach.

'Het is toch maar goed' dacht ze, terwijl ze naar boven liep, 'dat ik nooit aan mijn talent geloofd heb - ik zou anders een waarlijk moeilijke vraag te beantwoorden hebben.'


Nora keek op van het werk, waaraan ze bezig was en staarde peinzend naar buiten.

Elly en Marie waren nu getrouwd. Marie met een jong assistent, jonger dan zijzelf, die ze in het ziekenhuis had leren kennen, ook Jan had zich onlangs verloofd en zich als dokter gevestigd, en Henri was gestorven...

En Nora zat op haar kamer op Ekedal en corrigeerde drukproeven. En, terwijl ze daar zat en naar buiten keek, kwam nu en dan een vrolijk glimlachje glijden om haar mond, een ironisch spotlachje spelen in haar blij peinzende ogen.

Het was dan ook nog zo nieuw en zo vreemd voor haar, het werk, waaraan ze bezig was, en ze wist nog niet recht of schrijver zijn ernst was of dwaasheid, een taak of niets dan een tijdverdrijf, een spel. Het waarschijnlijkst scheen het haar nú, dat alles slechts dwaasheid was, dat ze zo lang en zo ijverig haar spel gespeeld had, tot ze in zichzelf was gaan geloven, tot ze ook anderen in de waan had gebracht, dat ze in ernst was, wat ze voorgaf te zijn.

Vrolijk keek ze op - indien het dan een vergissing was, had ze wel pret in die vergissing.

'Zo héél gewichtig, zo gewichtig, als het behoort, zal ik het wel nooit leren nemen met mij zelf en mijn werk,' sprak ze met een glimlach, maar... de ernst, God, en de ijver, waarmee ik mijn kinderspel voor u spelen zal!'


'Weet je, waaraan ik daar juist heb liggen denken?' vroeg tante, toen Noortje even later met haar handwerkje de huiskamer binnentrad.

Tante was ziek geweest, ze lag op de chaise longue, en haakte aan haar sprei. Nu, bij Nora's binnenkomen, had ze even opgekeken en een goedkeurende blik geworpen op het nog heel jong figuurtje, en het grijze japonnetje, dat Nora zo goed stond. Tante was trots op haar nichtje op hetgeen ze onder haar leiding geworden was.

'Nee?' vroeg Nora vol belangstelling.

'Ik dacht er aan, hoe verbazend je veranderd bent, sinds de dag dat je hier op Ekedal bent gekomen.'

Toen zag Noortje zich weer als kind... zoals ze die eerste meimorgen door het bloeiende pijpkruid had gelopen, met haar smart om het voorbijgegane en haar vreugde in de heerlijkheid om haar heen, met haar levensmoeheid en haar praktische belangstelling in het leven, dat voor haar lag... en ze glimlachte.

'Ten goede of ten kwade, tante?' vroeg ze schertsend.

'Dàt weet je wel, kind,' sprak tante en ze legde liefkozend haar hand op die van haar nichtje.

En Noortje wist het ook wel, en ze was waarlijk dankbaar voor tantes aandeel in de grote liefde, die haar omringde.

'Het komt er niet zoveel op aan,' dacht ze, 'of we elkaar begrijpen, dat kan nu eenmaal niet en behoeft ook niet... als we maar houden van elkander.'



Uit: Jacqueline E. van der Waalspagina - Verzameld proza, verzameld en ingeleid door Henk van der Ent, Uitgeverij de Groot Goudriaan, Kampen, 1996; Noortje Velt, 1901, F. Bohn Haarlem

[Jacqueline E. van der Waals pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.