Voorbericht

Daar is een tijd geweest, dat de gedachte mij onaangenaam was, voor anderen verstaanbaar, uit te spreken in mijn verzen, wat alleen voor God bedoeld was en ik dus geen andere keuzen had dan deze: mijn verzen verborgen te houden of mijn naam.

Ik koos met vreugde en beslistheid het laatste en, genietende van mijn onbezorgde vrijheid, liep ik, als de dwaze dwerg uit het tooversprookje, in de eenzaamheid van het bosch te jubelen van blijdschap, dat ik zoo veilige heimelijkheid mijzelve te gelijker tijd belijden en verbergen mocht.

Maar toen ik daar nu zoo zorgeloos liep te zingen, kwam natuurlijk ook de man uit het sprookje, die mij beluisterde - en, listiger dan andere menschen, verstond hij de woorden en doorgrondde hij mijn geheim.

Deze man nu, verried mij niet - hij deed erger.

Want hij zeide tot mij, dat een mensch staan moest met zijn naam en zijn persoonlijkheid voor de daden, die hij doet, voor de woorden, die hij spreekt. En schoon ik thans niet duidelijk meer zien kan waarom dit gebaar zooveel beter en nobeler zijn zou dan de houding, die ik tot nog toe had aangenomen, toen hij het zeide, zag ik, dat hij gelijk had en ik volgde zijn raad en, alsof het de gemakkelijkste en natuurlijkste zaak ter wereld was, gaf ik bij al mijn gerijmde ongerijmdheid ook nog mijn naam.

Maar nu zou het mij zonder twijfel weer kunnen gebeuren, dat een ander wijs, verstandig man zeggen zou, en mij doen inzien, dat het toch niet aaangaat, met zijn naam en zijn persoonlijkheid te staan voor zooveel ongerijmdheid en, hoe ik dus beter had gedaan slechts mijn wijsheid te geven in mijn verzen, daar toch niemand door de belijdenis van anderer dwaasheid kan worden gesticht. En als hij dit dan zoo zeggen zou en ik zag dat hij gelijk had, zou ik verlegen worden met hetgeen ik gedaan had en bedroefd, omdat ik toch immers zelf wel weet, dat ik geen wijsheid heb, anderen tot nut en stichting, geen wijsheid, waardig dat ik die dekken zoude met mijn naam.

En ziende dat het te laat was, mijn naam alsnog terug te roepen en hoe de uitweg, waartoe Repelsteeltje op het hooren noemen van zijn naam, zijns ondanks, zijn toevlucht nam, voor mij niet openstond, zou ik beginnen, mijn werk te verloochenen voor God en de menschen....

En wie dan, wie, behalve God, zou mij dan willen gelooven?


Evenwel - zie ik laat den morgen zorgen voor zijn eigen kwaad, die daar gewoonlijk wonderwel weg mee weet. Voorloopig geef ik rustig en eenvoudig - want ik volg immers goeden raad? - de verzen, die ik nu eenmaal geschreven heb en noem ik mij

Jacqueline E. van der Waals



[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.