Het oude huis

Jacqueline E. van der Waals

Nu zou ik willen slapen in een stille,
Heel donkre kamer diep en droomeloos...
Hoe kan ik slapen in dit felle licht,
Terwijl mijn ziel, ook met de oogen dicht,
Het maanlicht voelt, dat buiten staat en wacht?
Hoe kan ik slapen in zoo klaar een nacht,
Terwijl mijn ziel verlangt naar duisternis?

Wie heeft dit oude huis zoo vreemd gebouwd,
Dat boven alle woonvertrekken zijn,
De slaapvertrekken in het onderhuis?
Laag zijn de vensters en de ramen slaan
Wijd open in den maanbeglansden nacht.
Waarom is niets gedaan tot veiligheid
Van wie dit huis bewonen?  Waarom zijn
De vensters niet, als 't kelderraam, getralied?

De dwaze bouwer!  Zoo hij hier gestaan had
In zulk een nacht als dezen, bij het raam,
Van waar men, 's nachts niet slapend, onbemerkt
Het slapend watertje bereiken kan,
Hij had het hoofd verborgen in de handen,
Hij had gebeden, vuriglijk gebeden,
Dat nooit een moede, nooit een slapelooze,
Die wonderbare vreugde aanschouwen mocht.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.