Een oud liedje herdicht

Jacqueline E. van der Waals

Wat mag ons daarboven ontbreken,
Waar 't heil dat God ons geeft,
Ons God geeft, uit te spreken,
En elk het gevoele heeft,
Alsof hij rechtuit in de helle
Zoude ingaan, konde hij daar
God vinden en vergezellen
En schouwen Hem open en klaar?

De liefde, die wij daar vinden,
Dunkt ieder zóó ongemeen,
Of God hem alleenlijk beminde
En zocht zijne liefde alleen,
Of onder de zalige scharen,
Die kwamen ten hemel in,
Geen zoo gegenadigd ware
Door Zijne godlijke min.

Die God bemint alleene,
Die spiegelt Hem alzoo klaar,
Als het glas, door de zonne beschenen,
Het licht maakt openbaar,
Die zal te eeuwiger tijden
De vreugd, die hij om zich ziet,
Beminnen en zich verblijden,
Als waar ze hem zelve geschied....

Zoo vaak ik dit overdochte,
Zoo roerde zich iets in mij,
Als ware mij God, dien ik zochte,
Met Zijne gratie nabij,
Als hadde Hij reeds op de aarde,
Mij ziele zeer gezocht
En hield ze van grooter waarde,
Dan zij het vermoeden mocht.

Die derven, dat ze minnen,
Zijn dikwijls zeer bezwaard
En ongerust van binnen,
Het is der minnen aard;
Maar, die de minne derven
Voor 't lief, dat hen bemint,
Veel beter konden ze sterven
Dan leven zoo koelgezind.

Zij, die dit liedje herdichtte,
Is vaak nog koud van min
En traag om zich te richten
Met haren aardschen zin
Naar 's hemels eeuwige lusten;
Dit baart haar droefenis:
Haar hart en kan niet rusten
Dan daar Gods liefde is.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.