Pelgrimsreize

III

Jacqueline E. van der Waals

En toen mijn weg, afdalend in het dal,
Verdwijnen deed van voor mijn aangezicht
Dien zoeten glans, die schittering van licht
     En fijn kristal,

Werd het verlangen haast te sterk in mij,
Dat ik aanschouwen mocht de schoone stad,
Die mij van verre toegeblonken had,
     Van dicht nabij,

Dat ik haar straten eens betreden mocht,
En dat ik komen, wonen mocht bij Hem,
Den grooten koning van Jeruzalem,
    Doel van mijn tocht.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.