Pelgrimsreize

IV

Jacqueline E. van der Waals

Prinses van hoge geboorte,
Stond ik voor de poorten,
   Verlangende binnen te gaan;
Ik droeg een kroon op de haren,
Ik had een slepend, zware
   Purperen mantel aan.

Ik wist niet, tot wie mij te wenden,
Ik was een onbekende
   In het vreemde land;
Ik smeekte: `Laat mij binnen!
Laat mij als dienstmaagd binnen!'
   En klopte met bevende hand.

`Ik kom met lege handen,
Ik breng geen offerranden
   Van myrrhe of wierook of goud,
Ik ben een vermoeide, belaste,
Dus heb ik op de vaste
   Beloften uws Konings vertrouwd.'

`Leg af dan uw purperen kleren,
Hier geldt geen macht, geen ere,
   Geen rijkdom, geen aardsche scijn.
De mensen, die hier wonen,
Dragen geen gouden kronen,
   Geen purper, geen hermelijn.'

Graag wil ik mijn schatten geven,'
Sprak ik en glimlachte even
   En bloosde, toen ik het zei;
Ik had porphyrogenneta
Die koningskleding vergeten,
   Ze scheen mij een deel van mij.

Sinds loop ik arm, verlaten,
Klein meisje door de straten.
   Wie vraagt, of ik kom, of ik ga?
Ik ben hier van allen de minste,
Ik leef niet van eigen verdienste,
   Ik leef van mijn Konings gena.

Maar deze gena maakt mij rijker
Dan kronen of koninkrijken,
   Ze maakt mij, onreine, rein,
Mij, geringe, van hoger geboorte,
Dan buiten deze poorten
   Vorsten en koniningen zijn.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.