Vóór den regen

Jacqueline E. van der Waals

Ik zat in 't hooge gras;
Het was een warme zomerdag,
En uit de donkre schaduw zag
Ik naar den lichten plas.

En onbeschut voor 't zonnevuur
Lag 't slaperige land
Te domlen in het middaguur,
Door moeheid overmand.

Het was zóó stil, zóó stil....
De vogels droomden op hun tak,
Het windje sliep op 't watervlak,
En rustte koel en stil.

Een korte, blijde rimpeling
Sprak van de zaligheid,
Waarmee het meer het koeltje omving,
Stil aan zijn borst gevlijd.

De bloempjes knikten loom
En slaperig elkander toe,
De blaadjes hingen slap en moe
Te dutten aan den boom.

Ik zat te wachten en het was
Me als wist ik, wat er kwam.
Alsof ik, luistrend, in het gras
Een stillen tred vernam.

Een ruischen, vreemd en zacht,
Heeft mijn onrustig hart vervuld
Met bang, verlangend ongeduld,
Naar 't geen de stilte bracht.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.