Roeping

Jacqueline E. van der Waals

Wee den dwaas, die het onbereikbare wil bereiken,
  den eerzuchtige, die werkt hetgeen hij niet vermag.
Verstandigen en sterken gaan des morgens aan
  hun weloverwogen taak, genieten des nachts hun
  welverdiende rust:
Hij zit gebogen over zijn arbeid, hij verspilt zijn
  uren dag aan dag.

Zoo God mij een taak heeft gegeven, die mijne
  krachten te boven gaat, zoo heb ik Zijn roeping
  niet aanvaard.
Ik zal zoo dwaas niet zijn, het onbereikbare te
  willen bereiken,
noch ook zoo eerzuchtig dat ik, niet doende, het-
  geen ik doen moest, mij zoude overwerken aan
  werk, dat ik niet verricht.
Het werk, waartoe God mij riep, ik heb het in
  opperste lichtzinnigheid verlaten voor dat, dat
  voor mij lag,
dat er voor mij niet op aan komt, dat ik doen
  kan en laten kan, al naar het mij lust.
Ik doe, hetgeen ik doe.

Soms alleen, in mijn uren van verpoozing, - want
  zoo zorgeloos is ook de meest lichtzinnige niet,
  of zoo nu en dan in ledige oogenblikken zullen
  zijn gedachten van zelf zich keeren tot hetgeen
  alleen betekenis voor hem heeft - vraag ik
  spelenderwijze naar de taak, die God mij heeft
  gegeven,
en achteloos strekt zijn hand zich uit naar het
  werk, dat ik niet als het mijne erken.

Mijn God, zoo Gij wilt, dat Uw taak door mij
  verricht worde, Gij zult die zelf ter hand moeten
  nemen.
Gij zult mij moeten vervullen met een zoo heftig
  verlangen naar mijne ledige uren, een zoo heilige
  ijver voor mijn spel, dat ik alles, ook mijn dage-
  lijkschen arbeid daarvoor vergeet.

Als dan mijn spel gespeeld en mijn taak voltooid
  zal wezen, dan zal ik ook erkennen, dat Gij mij
  daartoe geroepen hadt.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.