Rust

Jacqueline E. van der Waals

     Mijn open ooren hooren
     Woorden, half verloren,
Als werden ze ver hier vandaan
     Fluisterend uitgesproken,
     Mijn oogen gesloten, gebroken,
Zien schimmen, die komen en gaan;
Als stille schimmen in droomen,
Schuiven ze voort en komen
     Voor mijn leger staan.
     Daar lig ik slapend neer
   Met stil gevouwen handen;
     Een groote kalmte daalde neer,
   Die alle onrust bande.
     Het is of dezen nacht
   Een hand mij aangeraakt heeft,
Een slaap beving mij, diep en zacht,
Die eindlijk mij de kalmte bracht,
     Waarnaar mijn ziel gehaakt heeft.
Ze raakte mijn brandend voorhoofd aan,
     Toen werd het koel en frisch,
Ze raakte mijn kloppend harte aan,
     Dat stil geworden is. -
   Een geur van tuberozen,
   Violen en witte rozen
     Drijft door de kamer heen,
       En door de loome lucht,
       Klinkt een bang gezucht
     En onderdrukt geween.
zijn dat de schimmen, die schreien
  Van smart en medelijën?
Hoe zouden ze zich verblijden,
  Wisten ze, wat ik gevoel!
Hoe zouden ze mij benijden,
  Dien slaap, zo verkwikkend en koel!
De kalmte die ik eindlijk vond
     Na jaren bange droomen!
Ik wist niet, dat een rust bestond
     Zóó heerlijk, zóó volkomen!


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.