Sonnetten

II

Jacqueline E. van der Waals

Nu weet ik wat het allerdroevigst is.
't Is niet de dood of scheiding, niet het kwaad,
Dat anderen ons aandoen, of 't gemis
Aan aardsche liefde, niet, dat ons verlaat

En jeugd èn schoonheid, eer genoten is
Het zoet van 't leven, niet de dwaze daad
Die men beweent in rouw en droefenis;
't Is: als men leeft voor iets, dat niet bestaat

En nimmer heeft bestaan, en als men 't weet
En toch dien schoonen droom niet sterven laat,
Omdat men voelt, dat alles, wat bestaat,
Niets, niets betekent, vergeleken bij
Dien éénen grootschen droom.  O, dat is leed,
Waaraan 'k niet denken durf.  God helpe mij!


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.