Sonnetten

III

Jacqueline E. van der Waals

Het zou een blijde tijding zijn, indien
God heden tot mij sprak: "De dag is om,
Waarop gij werken mocht, nù laat mij zien
Het werk uws levens."  Dan sprak ik: "Ik kom

Met leege handen, meester, ik verdien
Uw ongenoegen en uw straf, want dom
En slecht heb ik gearbeid."  Dan misschien
Sprak God: "Ofschoon met leege handen, kom!"

'k Erken het zonder bitterheid, hoezeer
Ik heb gefaald.  Ik, die mijzelve ken,
Hoe weinig ik mijn taak gewassen ben,
Ik ben niet trotsch en niet eerzuchtig meer,
Maar 't werkelooze wachten valt mij zwaar.
O, dat mijn arbeidsdag verloopen waar!


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.