Het zonnespectrum

Jacqueline E. van der Waals

Ik hield een prisma in de hand
En wierp een schijnsel op den wand,
Dat, schoon het zonlicht, doorgaans wit,
Uit zijnen aard geen kleur bezit,
Zoo velerhande kleuren droeg,
Dat ik mijzelve, peinzend, vroeg,
Hoe toch dit klaar, doorschijnend glas,
Dat zelve volkomen kleurloos was,
Al deze kleuren scheppen kon
En halen uit het licht der zon.

Het licht, dat door dit prisma viel,
Werd mij het beeld van mijne ziel,
Die eveneens een prisma vond,
Waardoor zij hare stralen vond,
Een glas, waarmee ik heb gespeeld,
En dat haar wezen dùs verdeeld
En dùs gekleurd heeft en getint,
Dat zij maar nauw zichzelf hervindt
In 't spel van dezen regenboog,
Die zoo veelkleurig is voor 't oog.

Edoch, omdat het klare glas
Der kunst volkomen kleurloos was,
Vermoed ik, dat haar eigen aard
Dit kleurenspectrum heeft gebaard,
Dat steeds in 't klaar en nuchter wit
Van mijne ziel verborgen zit.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.