Storm

Jacqueline E. van der Waals

De wind huilt door de boomen
  En door de dorre blaan;
De regen valt bij stroomen -
  Ik zie het angstig aan,
Hoe ben ik er toe gekomen,
  Nù naar het bosch te gaan?

Mijn ziele was onrustig
  Door menig dwaze gril,
In huis was alles rustig,
  Het was er onhoudbaar stil -
De regen stroomde lustig
  En lokte mij tegen mijn wil.

De statige beuken en linden,
  De eiken, oud maar dwaas,
Ze spelen met de winden,
  Zoo uitgelaten dwaas!
Zij schijnen het prettig te vinden,
  Dat oorverdovend geraas.

De wolken zien beneden
  Het woeste, dolle spel.
Ze speelden wel gaarne mede,
  En werpen daarom snel
Een bliksem naar beneden,
  Een lichtstraal, kort en schel.

De boomens schrikken even,
  Als door het licht verblind,
Ze luisteren, ze beven,
  Eén oogwenk zwijgt de wind,
Tot weer het dolle leven
  Met nieuwe kracht begint.

De winden vliegen en draaien
  En breken wat hen stuit
De takken zwiepen en zwaaien -
  De wolken lachen luid,
Hoog boven het woeste lawaaien,
  Hoor ik hun donderen uit!


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.