Winternevel

Jacqueline E. van der Waals

Buiten, waar in het geheim
Van den overnachtschen rijm,
Nog verborgen in den mist,
Op de blanke takken wist,
Half onthuld en half verborgen,
Liep ik in den stillen morgen,
Waar de zonne, rond en bleek,
Wel een zilvren munt geleek,
Die daar, door een god verloren,
Aan de lucht was vastgevroren,
En omfloerst door dichten damp,
Dien verlichtte als een lamp.

Zon, hoe houdt gij u verholen?
Reeds in nevelen verscholen,
Weet gij dezen bleek opalen
Damp met lichtglans te doorstralen,
Dat het wit berijpt geboomt
Daar, als duister, tegenkoomt,
En gij maakt het grijs gewelf
Blanker dan de blankheid zelf;
Kwaamt gij dan den nevel breken,
Ach, zóó schoon, niet uit te spreken,
Werd dit kleurenschuw kristal
Onder uwen stralenval ...

Heeft het hakhout voor de koude
Nog zijn dorre blad behouden?
Alle bladerkens der eiken
En der beuken kregen rijke
Franje aan hun schamel kleed,
Of een tooverfee, hun peet,
Dit met haren staf geraakt
En tot feestkleed had gemaakt.

Alle halmen schenen zwaarden
Door de kartelige baarden
Van den rafeligen rijm,
Die met kristallijn gevlijm
Aan de twijgen was geschoten
En de boomen hield besloten
In een tooverfijnen tooi
Zeer onwezenlijk, maar mooi.

Blanke boomen met de vage,
Donkre stammen kwamen dagen
Uit den nevel, waar ik liep,
Of mijn oog ze uit den nevel schiep.
En ik vroeg mij onder 't loopen,
Of ik liep met d'oogen open,
Of het al geen sprookje was? ...
Boompjes van gespoten glas
Zag ik staan en blank koralen
Wouden als ik in verhalen
Van het onderzeesch geboomt
Mij, al peinzend had gedroomd...

Zon dan, kom een ander maal
Met uw fonkelend gestraal
Boren door den mist omlaag:
Laat de wereld wit vandaag.
Grijp niet met het diepe blauw
Der omfloerste lucht in 't grauw
Van dit fijn gesponnen wonder,
Grijs van boven en van onder:
Laat uit overzijdsche streken
Wind noch zon den toover breken.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.