Zonsondergang

Jacqueline E. van der Waals

Ik liep, het hoofd gebogen,
Den avond te gemoet,
Maar hief de moede oogen
Niet op naar 's hemels gloed.
Waartoe den blik geheven
Naar 't schijnsel in de vert'?
't Was alles mij om 't even,
Of 't paars of purper werd.

Het was van zwarte aarde,
Het paadje, waar ik ging
En droomend nederstaarde
Die avondwandeling,
Waar, voor mijn moede schreden,
Bij 't schijnsel op mijn pad,
Elk der onheffenheden
Een eigen schaduw had.

In holten en in kuilen
Van d'ongelijken grond
Zag ik een schaduw schuilen,
Die daar een rustplaats vond,
Maar, schoon naar wet en rede
Ze zwart moest zijn als roet,
Ontstak ze voor mijn schreden,
En werd tot vuur of bloed.

Als op een rooster leek ik
Te treden, waar ik liep,
Met moede oogen keek ik
Als in een vurig diep,
En 't scheen mij zwaar te dragen,
Bij 't staren in dien schijn,
Dat alles in die dagen
Was, als het niet moest zijn.


[Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.