Jan van Walré (1759-1837)

Aan den opperdichter, Mr. Willem Bilderdijk

Van jongs af, Dichter-Vorst! eerde ik uw’ Zwane-stander
   Een bragt Mécénas ons, reeds graauw van kruin, bijëen;
Als ijzer en magneet trok ons gevoel elkander,
   En ’t eerste ontmoetings-uur leî vriendschaps eersten steen:
Hoe groot ook de afstand was in onzer gaven waarde,
   Ons blaakte ’t zelfde vuur; wij hielden de eigen vlugt;
Gij, door den éther-stroom; ik, langs het vlal der aarde,
   Op vrije wieken toch en voor geen’ val beducht;
Nogtans de zwaluw strijkt; de Rijn-zwaan blijft nog stijgen:
   Mijn Grenspaal predikt rust; uw Grijsheid kent geen perk! . . .
Blik vriendlijk neder op dees dorrende offer-twijgen;
   Uw Naam verfrissch’ het tuiltje en kleur’ mijn avond-werk!
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 8 september 1996


Coster-pagina