Jan Baptista Wellekens (1658-1726)

Ter Bruilofte

van den Heere TEVEN BOGAERT en
Jonkvrou CATHARINA IMMERSEEL
Vereenigt binnen Leden den    van Louwmaant, MDDCCV

   Hef op een' Bruilofttoon, ter eere van de Bruit;
Nu maagdepalm en mirt haar tedre lokken sieren,
De Minnegoodtjes om de Bruilofttafel swieren,
   En roemen trouwe min, met zang en snaargeluit.

   De brave Bruidegom omhelst, door Godts besluit,
Die Schone. Tooi de zaal met eeuwige Lauwrieren,
Daar liefde en eendragt komt dit heilig Echtfeest vieren.
    waarde Bant! ô Trou! ô Deugden, vast vertuit!

Wy staamlen in de keur van zo veel zaligheden!
Harten wel gepaart! ô Zielen ryk van zeden!
   Juich Ryn en Amstel! juich: op dezen blyden dag:

't Is Immers-eel gevoegt, te huwen met genuchten.
De frissche Bogaert pronkt eerlang met edle vruchten.
   Daar daalt de Bruiloftsgodt. Wy luistren met ontzach.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 8 september 1996


Coster-pagina