Petrus Paulus Rubens en de leeuw op de Antwerpse kermis

Jacob Campo Weyerman


Op een Antwerpsche Kermis kwam 'er onder andere Marktreyzigers een Kaarel met een tamme Leeuw aanstryken, met welk Dier hy speelde, worstelde, en andere Kermis-konsten wist aan te rechten.Ik was nieuwsgierig om dien Woud-tieran te zien, die ik zo byster schoon bevont te zyn in zyn Soort, dat ik dien Kaarel aan myn Huys dee komen met den Leeuw om die op differente wyzen te konterfyten. Onderwyl dat ik daar mee bezig was begon den Leeuw te geeuwen, en onder dat geeuwen speelde dat Dier op zo een Schilderachtige manier met zyn Tong, dat ik hem aanstonds met een stuk Kryt afschetste, voorneemens om hem te schilderen in die Gestalte. Ik vroeg den Gardiaan, of hy den Leeuw nog niet eens kon doen geeuwen, die zey dat hy zulks zou probeeren, daar op kittelde hy hem onder de Kin, en dwong hem dus verscheyde maalen om te gaapen. Dat Spel verveelden eyndelyk den Leeuw, die zo een misselyk Gezigt gaf aan zyn Meester, dat die in ernst begon te schrikken, en zey, Dat hy den Leeuw niet meer durfde kittelen, dat het een trots Dier was, dat zig niet liet bespotten; kort om, dat het gevaarlyker kon uytvallen als ik my mogt verbeelden. Die Waarschouwing maakte my Klep-schuuw, des sprong ik op, bergde het Tafereel met de afgeschetste Leeuwen in de naaste Kamer, en liet den Meester met zyn Dier en met een goede Belooning vertrekken.

Eenige tyd daar aan vertrok die Kaarel met den Leeuw na Brugge in Vlaanderen, en hy vertoonde aldaar in een daar toe opgeslaagen houte Tent de voorgaande Speelen met dat Dier, dat 't zedert die Kitteling kwaad Bloed had gezet tegens zyn Meester, en met lange tanden tegens hem worstelde en badineerde. Op een nootschikkelyken Namiddag was 'er een ongemeene Hoop Toekykers t'zamengerot in die Tent, en den Meester verblyt over den goeden Ontfangst speelde met minder Omzichtigheyt met den Leeuw, die onder dat speelen zyn arme Zinnen kreeg, en zyn Heer onder de voet wierp, en hem in dien staat met een opgeheven Klaauw, en met een grimmige Tronie, dreygde. Die Kaarel zag aanstonds dat de Hekken tusschen hem en den Leeuw waaren verhangen, des poogde hy zachtjes op te reyzen, en dien dans te ontspringen, maar dat vergrimt Dier zette hem den linker Poot zo styf op de Borst dat hy ter naauwer noot kon ademhaalen, en bleef in die Gestalte hem staan dreygen. Toen begon hem het klam zweet uyt te breeken langs alle kanten, en hy riep met een klaagent Geluyt, dat men schielyk na de Hal zou loopen, om een Kalfsborst te haalen, en die den Leeuw toe te gooyen, om in die tusschentyd dat hy dat Stuk verslond op te staan en te gaan rekken. Den Looper van den Heer la Faille sprong als een Hert de Tent uyt, en kwam in min als drie Minuyten aanstuyven met een schoone Kalfsborst, die hy den Leeuw voorwierp, doch die zich niet eens gewaardigde die te bekyken. Een zeker Virtuoso gaf den raad, Om den Leeuw een leevenden Haan toe te gooyen, zeggende, Dat een Leeuw al zo bang is voor het Haane-geschrey, als meenig eerlyk Man vreest voor het Wyveschrey, maar dat Hulpmiddel had mee niet veel te beduyden. Eyndelyk verzogt den benaauwde Man, dat Iemant de goedheyt wilde hebben, van den Leeuw voor de kop te schieten en dat met alle spoed, dewyl hy gevaar liep van te zullen stikken, en daar op stooven twee Brugse Schutters, die daar ontrent woonden, na Huys, en reverteerden ieder met een getrokke Bus en met een overgehaalde brandende Lont. Zo dra hadden zy niet aangeleyd of den Meester van het Spel sprak in Manus, en de beyde Musketten gongen gelukkig los op den Leeuw, die op dat Ogenblik dat hy getroffen wiert zyn Heer en Meester den linker Schouder en den Arm van het Lyf rukte, en dat verricht hebbende een verschrikkelyke Brul gaf, en ook hartsteeken Dood neerviel op het Lyk van zyn verslaagen Meester.

Dat Ongeluk sproot uyt het kittelen des Leeuws; een Voorbeelt voor allerley Soort van Hovelingen, van met de Vorsten zo gemeenzaamlyk niet om te gaan, dat men ze by den Baard poogt te sleuren, want Vorsten, Vrouwen, en Katten, hebben zeldzaame Luymen.


Toelichting:

Dit fragment over de grote schilder Petrus Paulus Rubens ( 1577 - 1640 ) komt uit een werk van Jacob Campo Weyerman van 1726, getiteld Maandelyksche 't Zamenspraaken, tusschen de Dooden en de Leevenden. Dergelijke dialogen tussen beroemde personen komen vaker voor in Weyermans werk.In het bovenstaande verhaalt Rubens een belevenis aan zijn beroemde collega's Anthonie van Dyck (1599 - 1641 ) en Godefroi Kneller ( 1646 - 1723 ).


Woordverklaringen

Gardiaan = de bewaker van de leeuw
badineerde = schertste, gekscheerde ( afgeleid van het Franse badiner )
nootschikkelyken = noodlottige
in Manus = beginwoorden van een Latijnse tekst voor de stervenden: "In uw handen, Heer, beveel ik mijn geest ".
Leeuw en Haan = zinspeling op het Franse haantje en de Nederlandse leeuw ?
Ingezonden door Frans Wetzels
Laurens Jz. Coster