KRISTINA'S VAGEVUURS SPROOKJE

Jacob Campo Weyerman


St. Kristina wiert gebooren boven Luyk, in een Landsteedje genaamt St. Truyen, een Nest vermaart wegens het tegenstrydig Noodlot der Kanonikken en Borgers, dewyl de Laatste Jaar uyt Jaar in sterven door gebrek en Armoede, daar de Eerste Eeuw uyt eeuw in barsten door Overdaat en Wellust. Die Kristina was een Kamenier over Zeven Melkkoeien, en zo vroom van handel en wandel, dat zy nooit wilde dulden dat de Koeien een enkelt Madeliefje of Boterbloempje zouden plukken uyt de graazige Beemden der Nabuuren, zonder alvoorens gezegt te hebben Con Licensa; ja de Kronyk van St. Truyen voegt 'er by, of schoon vry wat onwaarschynlyk, dat de Koeien niet een Ziertje durfden aanraaken met haare breede Lippen, ten zij ze eerst en vooral de Litanien hadden opgezongen van St. Pelagius den Ossenweyder. In die Waardigheyt stierf St. Kristina, en haar Lyk, met den Reuk van Heyligheyt door-trokken, wiert gestelt in het Koor der Hooftkerke, om na die Zielmis te luysteren van na by, die de Zeven Melkkoeien bestelt hadden uyt haare algemeene Spaarpot, om daar door aan de St. Truysche Kanonnikken een van de zeven Werkken van Barmhartigheyt te doceeren.

Maar schrik niet, slaapende Toehoorders, ofte ontwaak niet doode Chanoinessen, want hier komt het Mirakel aanstuyven nog snikheet, en gelaerst en gespoort. Die Kristina vloog in 't hartje van de Zielmis uyt de Doodkist, ( dus vliegt een vermolsemde Hoenderveer uyt een gescheurde Beddetyk ) zy vloog opwaards in de Haansbalken van het Koor, en zy gong schrylings zitten pruylen op een van die Balken, tot dat de Mis Raak was. Toen de Mis afgeloopen was bezwoer of bevloekte haar de Paap, dat zy lootrecht zou nederdaalen uyt de Haansbalken, want alzo haar Hembje pas haar Knien bedekte, was dat verheven Postuur taamelyk onbetaamelyk. De verreeeze Kristina gehoorzaamde Heerooms Bevel, zy daalde neerwaards, zy viel op haar Knieschyven voor de Mispaap en voor de Toehoorders, en zy verhaalde openhartiglyk de navolgende Avontuuren des Vagevuurs.

Zo ras als ik gestorven was ( zey Kristina ) geleyden de Engelen my na een Plaats, die zo vreeslyk heet was, dat de Luyksche Zoolen van myn houte Muylen 't zamen liepen als geronne Melk, zo dat ik begon uyt te gillen; Helaes ik ben in de Helle ! doch ik taste mis, ik was nog zo na niet by den Dormter van onze Kanonnikken, ik was pas in 't Vagevuur, een Koelbak, een Yskelder, in vergelykenis van de Hel, welke Hel ik namaals zag, en die zo vol Vuur en Vlam en Vonken was, dat 'er de 's Gravenhaagsche Glasblaazery maar een uytgaande Nachtkaarsje by scheen te weezen. In die barnende vlammen zag ik verscheyde Meysjes, myn Gespeelen op Aarde, 't onderste boven tuymelen, om dat zy al te buygzaam geweest waaren in de Hondsdagen der Verzoekingen. En nu ben ik veroordeelt ( vervolgde zy schreyende als een Melkboerin ) om wederom de verworpe Muylen des Vleeschs aan te trekken, en om een nieuw Leeven te aanvaarden, doch niet in 't Gezelschap van myn graazende Medezusters de Melkkoeien, neen ik moet een Leevenswyze aanvaarden, waar by den Abt van La Trappe, zo veel te pas komt in gestrengheyt, gelyk als myn Zusters Mopmuts in Cieraad te pas komt by de Fontange van Mevrouw Ooijevaars.

Dit gezegt hebbende schoot Kristina uyt het Koor der Kerke, zy wiert een Mensch-Uyl onder de Stervelingen, en zy schuuwde alle redelyke Schepselen, ( dat is eygen aan Boeren en Boerinnen) gelyk als een Schuldenaar de lieftallige Omarming schuuwt der onredelyke Menschen-vangers. Zomtyds vloog Kristina op de toppen der Boomen, doch veeltyds zat zy als een Kerk-Zwaluw op de Spitsen der Abdyen en Kapellen. Dikmaals wierp zy zig plomp verlooren in een gloeiende Zoetekoeks Oven, ( dat Wonderwerk plagten de Starreschieters van 't Y, en de Hengelaars van de Maas, wel eer te verrichten tot Alfen ) en veeltyds sprong zy moedernaakt in een Ketel vol ziedent Theewater, zo dat men kon zeggen met de Waarheyt; Dat zy gezooden en gebraaden wiert ter Liefde van de Zielen des Vagevuurs .

Zomtyds verhong zy haar aan haar Koussebanden, doch met die Voorzorg dat de Adem-haaling geen Gevaar liep, en op een andere tyd kroop zy in een aarde Graf op een Boere Kerkhof, als die wel had hooren zeggen; Dat de doode luyden niet konnen byten.

Maar, aandachtige Roomsgezinden, een eenig Mirakel verdient de Aandacht eens Aalmoesseniers, naamelyk, dat haar Tederheyt zo week wiert over de leydende Partyen des Vagevuurs, dat alles wat zy om en aan had eerst smolt tot Marmelade, en dat haar Licghaam dan eyndelyk en ten laatsten stolde tot Marsepyn. Is 'er lemant die de Contemplatie verder weet uyt te rekken, laat die ons vereeren met een Missivie over dat Voorwerp, en wy zullen het Gratis tusschen in voegen in onze Historie des Pausdoms.


Korte toelichting bij Vagevuursprookje

Sprookjes zijn volgens Weyerman onbetrouwbare verhalen. En vagevuur-sprookjes zijn bij-zonder onbetrouwbaar, doordat ze zich in het vagevuur (letterlijk betekent dat 'reinigend vuur') afspelen. De katholieke kerk verstaat daaronder een plaats waar de zielen van de overledenen gelouterd worden door een tijdelijke pijnlijke boetedoening voordat zij de hemel binnen mogen.

In de het tweede deel van de Historie des Pausdoms ( 1725 ) heeft Weyerman vijf sprookjes opgenomen met geesten uit het vagevuur, de zogenaamde vagevuristen. Zij komen terug op aarde om hun vrienden of kennissen te waarschuwen voor de verschrikkelijke pijnen in die louteringsplaats. Een van die vagevuristen is Kristina uit de stad Sint-Truiden. Het zijn dus geen sprookjes van het type Roodkapje, of Klein Duimpje. Op pagina 3 van dat deel van zijn pauselijke geschiedenis vermeldt Weyerman in een voetnoot de bron van zijn vagevuur- sprookjes, namelijk het populaire en vrome boekje van C.C. Vrancx. "Den Troost der Zielen in 't Vagevuur, etcetera. Gedrukt tot Gent by Gaultier Manilius, in 't jaar 1601".

Frans Wetzels


Ingezonden door Frans Wetzels
Laurens Jz. Coster