Sara Maria van der Wilp (1716-1803)

Op het tydelyk leven

   Verganklyk Leven! tedre bloem!
Hoe streelt ons uw bevallig wezen,
   Als gy, door frissche jeugd, uw’ roem
Ten hoogsten toppunt ziet gerezen!
   Maar ach! hoe ras mist ge uw sieraad!
Een onweêrsbui van ziekte of pynen,
   Verknocht aan uw’ onzeekren staat,
Doet uw bekoorlykheid verdwynen.
   De zon beschouwt uw’ bloei met lust
Des morgens, van haar’ gouden wagen;
   Maar eer ze in ’t west haar fakkel bluscht,
Ligt ge, onherstelbaar, neêrgeslagen.
   ô Wondre Spruit van korten duur!
Al schynt ge ons jaaren voor te spellen,
   De zeis des doods is ieder uur
Gereed om u gewis te vellen.
   ô Heilzon! koester in ons hart
   Een Leven, dat het sterflot tart.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 30-aug-96