Jacob Winkler Prins (1849-1907)

Bui

Grimmig snellen rondgerolde wolken,
Eindeloos groote kluwens, aan door 't blauw.
Doodsche stilte! Toch, ze naadren gauw,
Scherp weerspiegeld in de molenkolken.

Schelle fonkling van millioenen dolken;
Dan de donder; en, van regen lauw,
Schudt de wind den hechten molenbouw,
Loeit het rund, dat wegvlucht, ongemolken.

Zuiver, als geslepen edelsteenen
In een rand van donker goud gevat,
Spiedt de klaproos door de halmen henen,

Glanst de koornbloem helder na het bad;
En het paard, met glimmend stijve beenen,
Scheert de klaver, koel en druipend nat.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

Ingestuurd door: rudolpho@euronet.nl

Laatst gewijzigd: vrijdag 2 augustus 1996