Jacob Winkler Prins (1849-1907)
Spiegeling
In ’t venster van mijn buurman is een tuin....
In ’t bochtig glas zie ’k schell groene vlekken,
Die krimpen of langwerpig vierkant rekken,
Al naar de wind suist door den dichten kruin
Der wit-bethryste blâre-boombazuin,
Waaruit doorvonkte groene wuivers strekken,
Die ’t pad met wieglend schaûw-gewoel bedekken,
Nu ’t avondlicht al schuiner valt en schuin.
Maar ’t licht verdwijnt en scheemring komt nu ras.
Mijn buurman treedt aan ’t venster, trekt aan ’t koord
Van ’t valgordijn....het valt met stroef gekras.
Hij steekt de lamp op, kleedt zich ongetoord
En in den spiegel zie ik hem zijn das
Vaststrikken rond den hoogopstaanden boord.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam
E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl
Laatste wijziging: 8 september 1996