Jacob Winkler Prins (1849-1907)

Werking der muziek

Wat is mijn hart toch,
Wanneer gij, o klanken,
Mij met geluid overspuit
Uwer spranken? ---

Is het een gaarde,
Waar bloemen, die bloeien,
Daar 't felle steken der zon bezweken,
Van dorst verschroeien? ---

Is het een bloemperk,
Waar goudgele bijen,
De geuren stelen der paarsfluwelen
Violen-reien? ---

Is het de boekweit,
Waar hommelhorden,
Wit bestoven van 't bloemenrooven,
Gonzende snorden? ---

't Mugje, dat zingend,
In de orchis gedoeken
Vast bleef kleven en moet sneven,
De oogen geloken? ---

Wellicht een beek,
Zoo snel aan 't vlieten,
Dat boschanemonen en duizendschoonen
Weerspiegeld verschieten? ---

Is het een meer,
Een kristalijnen,
Waarin de sterren, dichtbijzijnde en verre
Verdubbeld schijnen? ---

Een waterval soms,
Tusschen de rotsen
Voort zich wringend en vroolijk zingend
Met spattend klotsen? ---

Is 't een fontijn,
Zilverkolom,
Opwaarts bruisend neerwaarts ruischend,
Fonklende alom? ---

Neen, 't is de zee!
Waarom henen
Stemmen schateren en zuchten klateren
Met lachen en weenen! ---
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

Ingestuurd door: rudolpho@euronet.nl

Laatst gewijzigd: vrijdag 2 augustus 1996