Carel Godfried Withuijs (1794-1865)

Orde en vrijheid

Als er velen t huis regeren,
   Hebben orde en eendragt uit;
Aan de mot zij dan de kleeren,
   Aan den roest het staal ten buit;
Ieder drijft zijne eigen plannen;
   Allen willen t hoogste woord;
Tucht en vrede zijn gebannen,
   En de welvaart pakt zich voort.

Zouden vier een vierspan mennen,
   Elk een leizeel, elk een paard?
De een wil stappen, de ander rennen,
   En de kar stort in de vaart.
Baat een roer in twee paar handen?
   Dees wil t ruim en die den wal;
Tot een bui het schip doet stranden,
   Of vergaan met vracht en al.

Moet er orde een woning sieren,
   Dan één hoofd; een wakker man,
Die de rede en t regt bestieren,
   Die de tucht bewaren kan.
Moet een vierspan op de wegen,
   Of een kiel op zeeën voort,
En koetsier dan opgestegen,
   En één schipper dan aan boord.

Zal een Staat in orde duren,
   Dan: een Koning, kloek en vroom,
Die door stormen heen kan sturen,
   En den moedwil houdt in toom,
Waar een wijs en dapper Koning
   Regt en Wetten houdt in stand,
Veilig dr zijn lijf en woning,
   Dáár is Vrijheid in het Land.

Zoo is Neêrland vrij en veilig
   met een Koning, wijs en goed;
Regt en wetten zijn er heilig,
   Heilig dáár zijn goed en bloed;
Teugels zijn er voor den slechten
   Maar wie t goede wil, is vrij;
Nergens heeft men grooter regten,
   Vrijer is geen mensch, dan wij.

Moog die Vrijheid eeuwig blijven,
   Nooit verminderd, nooit vergroot;
Wie haar hooger op wil drijven
   Wenscht het Vaderland den dood.
Maar ook, mogt een vreemde t wagen
   Handen aan haar tuin te slaan,
Eer wij weder boeijen dragen,
   Moog met haar het Land vergaan!
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 8 september 1996


Coster-pagina