Karel van de Woestijne

De modder-haven

III

De meiskes uit de taveernen
zij hebben een malse schoot.
Zij zien er de jongens geerne.
Zij baren haar kindren dood

Zij dragen van vurige zijde
en keurske dat spant en splijt.
We ontwaken aan hare zijde
met de houten mond van spijt.

De ronde zee waar wij zwalken,
die eindeloos wenkt en geeuwt,
en ons doet van begeren balken,
en ons van verre vrouwe verweeûwt:

wij ankren in de taveernen
waar geniepig een rust ons smijt.
Daar wachten ons rood de deernen.
Daar raken wij 't leven kwijt.

1927


Bron: C.J. Aarts en M.C. van Etten (samenstellers), Domweg gelukkig in de Dapperstraat. De bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur. Bert Bakker, Amsterdam, veertiende verbeterde druk 1996.
Ingezonden door IJme Woensdrecht
Project Laurens Jz. Coster