Karel van de Woestijne

Voor­zang

Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust­gewelfde blaêren.
­ Ik was een kind, en mat het leven aan de lach
van mijne moeder, die niet blij was, en aan 't waren
der schemeringen om de bomen, en der jaren
om 't vredig leven van de roereloze dag.

En 'k was gelukkig in de schaduw van dit leven
dat naast mijn dromen als een goede vader ging...
­ De dagen hadden mij vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van grote vooglen hing,
iedere avond in de teedre zomer­luchten
die zeegnend om de ziel der needre mensen gaan,
als de avond daalt en maalt in avond­kleur de vruchten
die rustig­zwaar in 't loof der stille bomen staan.

...Toen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren
als schaemle bloemen in de avond, o mijn kind.
En 'k minde u. ­ En zo 'k véle vrouwen heb bemind
sinds dien, met moede geest of smekende gebaren:
ú minde ik; want ik zag uw kinder­ogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken tróostend zijn,
in 't huis mijns vaders, waar de dagen tráge waren...
1900


Bron: C.J. Aarts en M.C. van Etten (samenstellers), Domweg gelukkig in de Dapperstraat. De bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur. Bert Bakker, Amsterdam, veertiende verbeterde druk 1996.
Ingezonden door IJme Woensdrecht
Project Laurens Jz. Coster