Elizabeth Wolff (1738-1804) — Agatha Deken (1741-1804)

SARAH BURGERHART

De heer Abraham Blankaart aan
Mejuffrouw Sara Burgerhart.

Lieve Kind!

Mijn boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat ik u toedenk: de wissel bedraagt duizend gulden. Koop er al van, wat gij noodig hebt om in ordentelijke gezelschappen te gaan. Maak drie sakken, of hoe heeten die samaartjes, zooals uwe moeder en grootmoeder droegen. Koop alles wat er bij hoort; maar niet opzichtig of wild; nu, ik vertrouw alles goeds van u. En doe ook niet aan je lijf dat je niet kunt blijven dragen: dit zou u al zoo gek staan, als die klungels die tante u aandeed. Gij moet het eerste half jaar in voorraad betalen: ik wil geene verplichting op dit stuk. Leg het wel aan, en als ik u zie, toon mij dan eens, hoe gij ’t besteed hebt. Hoor, meid, zoo je ’t wel aanlegt, heb jij gelds genoeg; zoo niet, dan is ’t gauw op.

Ik heb zakken met klachten over u, in eenen zotten brief van tante. Doe jij maar wèl, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeen thuis te komen, maar ’zal vooreerst niet lukken. Luister toch altijd naar de brave en wijze juffrouw Willis, alsof zij uwe moeder ware; meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de kerk, kind? Dat moet je vooral en vooral doen. Daar zit ik nou weêr in een paapsch land, daar hoor je van God, noch zijn gebod, wil ik spreken; en zoo ik mijn tijd niet wèl had waargenomen, hoe zou ’t nu gaan met mij? Als ik thuis kom, zal ik je alle Zondag afhalen om ter kerke te gaan, wat ik ben nog   zoo een oud Hollandsche man; en je zou niet gelooven, kind, hoe fraai de meisjes zijn, als zij daar, gelijk zoo een rij wassepoppetjes, wèl gekapt en gekleed, aandachtig zitten toe te luisteren wat de leeraar zegt. Ik versta weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelijkheid, met je gaan, en denken: zij onderhoudt er haar Fransch door; en voor mij is de penitentie kort, want de coquette abbeetjes maken het in een uur knaphanding af.

Zeg eens Saarlief, staat er ergens in den bijbel van een teeken des beestes? Zij past dat toe op de menschen, daar ik nu bij ben. Ik heb de vier Evangeliën al eens doorgeloopen, doch ik vind niets van. Doch dat fijne volk vindt zooveel in Gods woord, dat er geen Christenmensch anders in kan vinden. Jij hebt niet veel anders te doen, lees zoo lang tot je het vindt; maar ’t zal weêr op niets uitkomen. Evenwel staat het in den bijbel, dan spijt het mij, kind, dat ik het niet wist: want ik beneen doodvijand van spotten. Och Heer! ik dacht dat zij schimpte op de kapsels. Zoo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin haar niet ten pleziere van een ongevallige mode: anders moei ik mij er niet meê. Nu, zoek er eens terdeeg naar, hoor? En schrijf mij of gij het wel hebt. Vrees God, leef betamelijk, en denk dat je daar twee ouders in den hemel hebt, die u ter zijner tijd hopen weer te zien. Nacht, beste kind, ik ben

Uw toegenegen Voogd

ABRAHAM BLANKAART.