Elizabeth Wolff (1738-1804) — Agatha Deken (1741-1804)

SARAH BURGERHART

De heer Cornelis Edeling aan
den heer Hendrik Edeling.

Waarde Heintje!

Wat is het goed, dat ik aan de zegekoets van mijn Jaantje zoo vastgekluisterd ben, verliefd op hare zachte bevalligheden; wat is het goed, dat gij mijn broêr zijt! Ziet, jongen, wat zou mij anders beletten om eens heen en weêr een reisje van vijftig uren per post af te leggen, met geen ander oogmerk, dan om uw liefje eens een paar minuten aandachtig te bekijken, en u geluk te wenschen met zoo eene kostelijkheid?

Hou u nu maar doodstil! Hoe meer dan volmaakt uw meisje ook wezen mag, ik zou u niet raden om tegen mij te beweren, dat mijn meisje haar het tienduizendste gedeelte van een ondeelbaar deeltje moest wijken.

Geluk, mijn beste, mijn hartvriend, geluk! ken ik u wel, dan is deze dame uit alle vrouwen geschikt, het allergeschikst, om u in het huwelijk gelukkig te maken. Uwe overhelling tot zwaarmoedigheid zal, door hare bekoorlijke levendigheid , in mannelijken ernst verbeterd worden; en de stoute meid zal met u, zoo zij verstands genoeg heeft om uwe waarden te zien, haar geluk bestendig maken.

Nu weet gij, dat haar hart ten minste vrij is. Niets kan u dus beletten om met haar conversatie te zoeken. Dit zal u gelegenheid geven om haar nader te leeren kennen; en gij zult, door u nader te doen kennen, niets verliezen. Stel u echter niet voor, dat het zijn zal: „Kip, ik heb je. Vischje spring bij.” Neen, mijn vriend, zij zal u zeker een huis vol werk geven; en gij zult door hare kuren moeten lijden, als winterkoren op het veld. Nu zult gij eens geheel in verrukking bij haar zitten, over haar hart u verwonderde, met haar geest u vermakende, en hare bevalligheden met langzame teugen door uwe oogen indrinkende; en een oogenblik daarna, zult gij meenen reden te hebben om te denken, dat zij u reden tot ongenoegen geeft. Zij zal, terwijl gj haar eenige teedere wissewasjes zoetjes influistert, aan u vragen: „apropos, mijnheer, is er geen nieuws?” Wapen u, mijn vriend, met den lederen kolder van geduld! zoo het leven een strijd is, dan zeker is het vrijende leven een gedurige oorlog. Daar is zelfs mijn Jaantje, het goedaardigste schatje, dat er ooit op satijnen schoentjes dribbelde; en heb ik niet meer uitgestaan, dan ik arme drommel u ooit kan vertellen. ’k laat staan doen gelooven? Evenwel, houdt moed. Een meisje dat maar half zooveel waardig is als de onzen zijn, is bijget waardig, dat wij er nog veel om uitstaan! Hoe moeilijker strijd, hoe schooner zegepraal! Zoodra ik tijd heb, zal ik u meer schrijven. Ik mag met Sanche wel zeggen, dat ik bijna geen tijd heb om mijne nagels te knippen; gij weet, waarop ik hoop, zoodra ik tot der beide Rechten Docter gepromoveerd ben? Adieu!

t.t.

C. EDELING.